Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200201689/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201689/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden 21 augustus 2001, heeft verweerder aan appellant sub 1 met toepassing van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht de volgende lasten onder dwangsom opgelegd.

1. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b van de Wet milieubeheer die bestaat uit het zonder vergunning houden van meer dan 384 vleesvarkens in stal D, binnen vier weken na verzenddatum van deze brief ongedaan te maken door het teveel aan vleesvarkens uit de inrichting te verwijderen, bij gebreke waarvan [appellant sub 1] na deze termijn een dwangsom verbeurt van ƒ 350,00 per dag, met een maximum van ƒ 90.000, dat wij constateren dat niet aan deze last is voldaan.

2. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer die bestaat uit het in strijd met een vergunningvoorschrift houden van meer dan 55 guste/dragende zeugen, 20 kraamzeugen, 150 biggen (of 55 guste/dragende zeugen, 19 kraamzeugen, 150 biggen en 1 beer) in stal A, binnen acht weken na verzenddatum van deze brief ongedaan te maken door het teveel aan dieren uit de inrichting te verwijderen, bij gebreke waarvan [appellant sub 1] na deze termijn een dwangsom verbeurt van ƒ 450,00 per dag, met een maximum van

ƒ 90.000,00, dat wij constateren dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan deze last is voldaan.

3. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer die bestaat uit het in strijd met vergunningvoorschrift 2.1 van de vergunning van 29 mei 1990 veroorzaken van een te hoge geluidbelasting ongedaan te maken door slechts vleesvarkens te laden in de dagperiode (07.00 tot 19.00 uur) bij gebreke waarvan [appellant sub 1] een dwangsom verbeurt van ƒ 100,00 per keer met een maximum van

ƒ 10.000,00 dat wij constateren dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan deze last is voldaan.

4. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer ongedaan te maken door binnen vier weken na verzenddatum van dit besluit de omvang van de pompput ten westen van stal B terug te brengen tot de oorspronkelijke, vergunde, omvang (vergunning 28 juni 1978), bij gebreke waarvan [appellant sub 1] een dwangsom verbeurt van ƒ 100,00 per dag met een maximum van

ƒ 10.000,00 dat wij constateren dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan deze last is voldaan.

5. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer ongedaan te maken door binnen vier weken na verzenddatum van dit besluit de éénlingboxen te verwijderen uit stal G en deze uitsluitend als opslagschuur in gebruik te hebben, bij gebreke waarvan [appellant sub 1] een dwangsom verbeurt van ƒ 150,00 per dag met een maximum van ƒ 15.000,00 dat wij constateren dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan deze last is voldaan.

Bij besluit van 15 februari 2002, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder de hiertegen door appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het voornoemde besluit herroepen. Bij dit besluit heeft verweerder voorts de lasten 1, 2 en 5 gewijzigd. Na wijziging luiden deze lasten als volgt.

1. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b van de Wet milieubeheer die bestaat uit het zonder vergunning houden van meer dan 384 vleesvarkens in stal D, binnen vier weken na verzenddatum van deze brief ongedaan te maken door het teveel aan vleesvarkens uit de inrichting te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan [appellant sub 1] na deze termijn een dwangsom verbeurt van € 204,00 per dag, met een maximum van € 40.800,00, dat wij constateren dat niet aan deze last is voldaan.

2. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer die bestaat uit het in strijd met een vergunningvoorschrift houden van meer dan 55 guste/dragende zeugen, 20 kraamzeugen, 150 biggen (of 55 guste/dragende zeugen, 19 kraamzeugen, 150 biggen en 1 beer) in stal A, binnen acht weken na verzenddatum van deze brief ongedaan te maken door het teveel aan dieren uit de inrichting te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan [appellant sub 1] na deze termijn een dwangsom verbeurt van € 113,00 per dag, met een maximum van € 22.600,00, dat wij constateren dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan deze last is voldaan.

3. Wij gelasten [appellant sub 1] de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer ongedaan te maken door binnen vier weken na verzenddatum van dit besluit de stierkalveren uit stal G te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan [appellant sub 1] een dwangsom verbeurt van € 68,00 per dag, met een maximum van

€ 6.800,00, dat wij constateren dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan deze last is voldaan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 22 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2002, appellanten sub 2 bij brief van 23 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2002, en appellante sub 3 bij brief van 17 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft de gronden aangevuld bij brief van 8 april 2002.

Bij brief van 27 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2002, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.C.A. Nuyts, gemachtigde zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten sub 2 het beroep ingetrokken wat betreft het houden van kalveren in stal G, het niet kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden, de ventilatoren behoudens de ventilator in stal B, de kuilplaten en sleufsilo’s, het laden en lossen van vee, het houden van paarden, het jongvee in stal C en het gebruik van stal D.

2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.3. Appellant sub 1 is van mening dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in de inrichting teveel dieren werden gehouden. Appellant wijst erop dat het door hem ten tijde van het besluit in primo en het bestreden besluit gehouden veebestand niet hoger was dan het veebestand waarvoor hem bij besluit van 5 december 2000 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning was verleend. Weliswaar is dit besluit bij uitspraak van de Voorzitter van 1 mei 2001 geschorst, maar dit betekent volgens appellant niet dat het bij dat besluit vergunde veebestand niet in de inrichting mocht worden gehouden.

2.3.1. De door verweerder aan appellant sub 1 opgelegde lasten onder dwangsom hebben betrekking op overtredingen van de vergunningen van de door hem gedreven veehouderij op de percelen [locatie 1] en [locatie 2]. Voor de inrichting op het perceel [locatie 1] is, voorzover hiervan belang, op 28 juni 1978 krachtens de Hinderwet een oprichtingsvergunning verleend. Op 30 september 1986 is krachtens de Hinderwet een veranderingsvergunning verleend. Voor de inrichting op het perceel [locatie 2] is op 19 oktober 1979 krachtens de Hinderwet een oprichtingsvergunning verleend. Op 29 mei 1990 is krachtens de Hinderwet een veranderingsvergunning verleend. Op 4 september 1990 is bij verweerders een melding ingekomen betreffende een vermindering van het aantal mestvarkens.

Bij besluit van 5 december 2000 is een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de inrichting die de percelen [locatie 1] en [locatie 2] omvat. De Voorzitter heeft dit besluit bij uitspraak van 1 mei 2001 no. 200100466/1 geschorst. Ten tijde van het nemen van het besluit in primo en het bestreden besluit kwam hieraan derhalve geen betekenis toe. Verweerder is voor de beoordeling van de vraag of sprake was van een overtreding derhalve op goede gronden uitgegaan van de rechten die appellant sub 1 kon ontlenen aan de op 28 juni 1978 krachtens de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning en de op 30 september 1986 krachtens de Hinderwet verleende veranderingsvergunning voor de inrichting op het perceel [locatie 1] en de op 19 oktober 1979 krachtens de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning en de op 29 mei 1990 verleende veranderingsvergunning voor de inrichting op het perceel [locatie 2] en de op 4 september 1990 bij hen ingekomen melding. Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het besluit in primo en het bestreden besluit in de stallen D en A meer dieren werden gehouden dan op grond van deze vigerende vergunningen is toegestaan. Evenmin is in geschil dat zich ten tijde van het nemen van het besluit in primo en het bestreden besluit, in strijd met de vigerende vergunningen, in stal G éénlingboxen bevonden, waarin regelmatig kalveren werden gestald. Verweerder was derhalve in zoverre gerechtigd tot het opleggen van de lasten onder dwangsom.

2.3.2. Volgens appellant sub 1 kon verweerder niet in redelijkheid tot het opleggen van de last onder dwangsom overgaan omdat het door hem gehouden veebestand ongeveer gelijk is aan het veebestand waarvoor hem bij besluit van 5 december 2000 krachtens de Wet milieubeheer vergunning is verleend. Weliswaar is dit besluit door de Voorzitter bij voornoemde uitspraak van 1 mei 2001 geschorst, maar dit betekent volgens appellant sub 1 niet dat de gevraagde vergunning niet kan worden verleend.

De Afdeling overweegt dat het besluit van verweerder van 5 december 2000 bij uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2002, no. 200100466/2 is vernietigd, omdat vergunning van het gevraagde veebestand zou leiden tot een toename van de ammoniakdepositie in vergelijking met de onderliggende vergunningen. Derhalve kan niet worden volgehouden dat het door appellant sub 1 in strijd met de vigerende vergunningen gehouden veebestand zou kunnen worden gelegaliseerd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze bevoegdheid gebruik te maken. Dat sedert het opleggen van de lasten onder dwangsom in de stallen D en A niet langer meer dieren dan vergund en in de éénlingboxen geen dieren meer worden gehouden maakt dit niet anders.

2.4. Appellante sub 3 voert aan dat ten onrechte de rapportage van de bedrijfscontrole op 6 juni 2001 niet ter inzage is gelegd.

2.4.1. Verweerder is tot het opleggen van de lasten onder dwangsom overgegaan nadat appellanten sub 2 en sub 3, bij brief van respectievelijk 21 mei 2001 en 27 mei 2001, krachtens artikel 18.14 van de Wet milieubeheer een daartoe strekkend verzoek hadden gedaan. Op 6 juni 2001 heeft verweerder in dit verband een bedrijfscontrole laten verrichten in de inrichting van appellant sub 1.

Ingevolge artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, voordat het een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en

b. die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt.

Bij brief van 9 juli 2001 heeft verweerder onder meer appellante sub 3 in de gelegenheid gesteld haar zienswijze over het voornemen tot het opleggen van de lasten onder dwangsom aan appellant sub 1 naar voren te brengen. In deze brief heeft verweerder onder meer aangegeven welke overtredingen ten tijde van de bedrijfscontrole op 6 juni 2001 zijn geconstateerd. Gelet op het bepaalde in artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder gehouden was appellante inzage in de rapportage van de bedrijfscontrole van 6 juni 2001 te verlenen.

2.5. Appellanten sub 2 en sub 3 zijn van mening dat verweerder ten aanzien van een aantal overtredingen van de vigerende vergunningen ten onrechte heeft nagelaten een last onder dwangsom op te leggen. Appellanten sub 2 en sub 3 wijzen daarbij onder meer op een illegale vergroting van de pompput, de kadaveropslag, het openen van ramen en deuren, het lozen van mest, het houden van te veel melkkoeien en de volgens appellanten sub 2 en sub 3 illegale ventilator in stal B. Appellante sub 3 wijst tevens op het houden van jongvee ouder dan 1 jaar in stal C, het houden van paarden in stal J en de afwijkende ligging van stal D waardoor de vergunning voor deze stal deels is komen te vervallen en dus minder dieren in deze stal mogen worden gehouden dan waarvan verweerder uitgaat. Appellante sub 3 is voorts van mening dat ten onrechte niet wordt opgetreden tegen zich in de inrichting bevindende illegale kuilvoeropslagen en sleufsilo’s, welke stof- en geluidhinder veroorzaken, en tegen het laden en lossen van vee, mest en veevoer ten westen van stal B, hetgeen volgens haar onaanvaardbare geluidhinder veroorzaakt.

2.5.1. Voorzover appellante sub 3 aanvoert dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een last onder dwangsom op te leggen met betrekking tot het verladen in de nachtelijke uren van varkens overweegt de Afdeling dat blijkens de stukken verweerder op dit punt geen overtreding heeft vastgesteld. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hij in zoverre niet gerechtigd was tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.5.2. Voorzover appellante sub 3 heeft aangevoerd dat wat betreft stal D de vergunning gedeeltelijk is vervallen omdat deze stal dichter bij de woning [locatie 3] is gebouwd dan vergund, overweegt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 3 juli 2002, no. 200100466/2 (aangehecht), heeft overwogen dat geen sprake is van een zodanige afwijking dat geoordeeld moet worden dat de vergunning wat betreft stal D en de daarin te houden dieren al dan niet deels is komen te vervallen. In deze stal mocht maximaal het aantal dieren worden gehouden waarvan in het bestreden besluit door verweerder wordt uitgegaan. Voorzover niet meer dieren in de inrichting worden gehouden is geen sprake van een overtreding. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij in zoverre niet gerechtigd was tot het opleggen van een last die verder gaat dan de bij het bestreden besluit met betrekking tot stal D opgelegde last.

2.5.3. Voorzover appellante sub 3 heeft aangevoerd dat ten onrechte niet wordt opgetreden tegen het laden en lossen van vee, mest en veevoer ten westen van stal B overweegt de Afdeling dat op de tekening behorende bij de op 28 juni 1978 krachtens de Hinderwet verleende vergunning voor de inrichting op het perceel [locatie 1] aan de westzijde van stal B toegangsdeuren, pompputten voor drijfmest en de melkstal staan aangegeven. Derhalve moet er vanuit worden gegaan dat voor deze activiteiten vergunning is verleend. In zoverre is van een overtreding geen sprake. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij in zoverre niet gerechtigd was tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.5.4. Vast staat dat de inrichting wat betreft de overige door appellanten sub 2 en sub 3 genoemde onderdelen, ten tijde van het nemen van het besluit in primo en het bestreden besluit, niet overeenkomstig de vigerende vergunningen in werking was, zodat verweerder in zoverre gerechtigd was tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.5.5. Wat betreft de pompput heeft verweerder aangevoerd dat de opening van de pompput is vergroot om het legen van de mestkelders sneller te kunnen laten plaatsvinden. Direct na het verwijderen van de mest wordt de pompput afgedicht met een betonnen plaat. De Afdeling overweegt dat niet aannemelijk is dat de opening van de pompput relevante nadelige milieuhygiënische gevolgen met zich brengt. Gelet hierop heeft verweerder in zoverre in redelijkheid van het opleggen van een last onder dwangsom kunnen afzien.

2.5.6. Wat betreft de kadaveropslagplaats heeft verweerder in aanmerking genomen dat een kadaveropslagplaats binnen de inrichting voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is en dat de kadaveropslag als zodanig vergund zal kunnen worden, hetgeen bij besluit van verweerders van 27 augustus 2002 is geschied. Gelet hierop heeft verweerder in zoverre in redelijkheid van het opleggen van een last onder dwangsom kunnen afzien.

2.5.7. Voorzover appellanten sub 2 en sub 3 aanvoeren dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het opleggen van een last onder dwangsom in verband met het openstaan van deuren en ramen en het lozen van mest overweegt de Afdeling dat de door verweerder geconstateerde overtredingen in dit verband zodanig incidenteel waren dat verweerder in zoverre in redelijkheid van het opleggen van een last onder dwangsom heeft kunnen afzien.

2.5.8. Wat betreft de door appellanten sub 2 en sub 3 gewenste last met betrekking tot het melkrundvee (melkkoeien en jongvee in stal C) overweegt de Afdeling dat verweerders hebben geconstateerd dat in de inrichting 61 melkkoeien en 23 stuks jongvee zijn gehouden. In voornoemde uitspraak van 3 juli 2002 oordeelde de Afdeling dat in de inrichting op grond van de vigerende vergunningen 59 melkkoeien en 91 stuks vrouwelijk jongvee mochten worden gehouden. In de inrichting werden derhalve 2 melkkoeien meer gehouden dan op grond van de vigerende vergunningen was toegestaan. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onderscheid had moeten maken tussen jongvee jonger dan 1 jaar en jongvee in de leeftijd tussen 1 en 2 jaar. Verweerder heeft, gelet op de geringe overschrijding van de vergunning wat betreft het aantal melkkoeien, waar tegenover staat dat aanzienlijk minder stuks jongvee werden gehouden, in redelijkheid van het opleggen van een last onder dwangsom kunnen afzien.

2.5.9. Voorzover appellanten sub 2 en sub 3 hebben aangevoerd dat ten onrechte geen last is opgelegd in verband met het aanwezig zijn en in werking zijn van een ventilator in stal B, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit door middel van een vergunning kan worden gelegaliseerd. Bij besluit van 27 augustus 2002 is inmiddels voor deze ventilator vergunning verleend. Blijkens het akoestisch rapport dat ten behoeve van deze vergunningverlening is opgesteld behoeft voor geluidhinder ten gevolge van deze ventilator niet te worden gevreesd. De Afdeling ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de uitgangspunten en de conclusies van dit akoestisch rapport onjuist zijn. Verweerder heeft daarom in zoverre in redelijkheid van het opleggen van een last onder dwangsom kunnen afzien.

2.5.10. Voorzover appellante sub 3 heeft aangevoerd dat ten onrechte geen last is opgelegd in verband met het houden van paarden in stal J en het gebruik van kuilvoerplaten en sleufsilo’s voor de opslag van voer heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit door middel van een vergunning kan worden gelegaliseerd, hetgeen bij besluit van 27 augustus 2002 is geschied. Verweerder heeft daarom in zoverre in redelijkheid van het opleggen van een last onder dwangsom kunnen afzien.

2.6. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H. Beekhuis en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

325.