Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200201887/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201887/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de gemeenteraad van Hellendoorn, op voorstel (ongedateerd) van het college van burgemeester en wethouders, vastgesteld het bestemmingsplan "Centrum Nijverdal, 8e herziening".

Verweerder heeft bij besluit van 12 februari 2002, kenmerk: RWB/2001/3390, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2002, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellanten. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en verweerder, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Hellendoorn, vertegenwoordigd door ing. M. Broekhuis, ambtenaar van de gemeente en de schietvereniging “Willem Tell”, vertegenwoordigd door [penningmeester].

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt het mogelijk om een verenigingsgebouw uit te breiden, acht garageboxen te bouwen en zeven parkeerplaatsen aan te leggen op een binnenterrein tussen de Rijssensestraat, de Dahliastraat en de Zonnebloemstraat in Nijverdal. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten, die wonen aan het binnenterrein, waarbij hun woningen tevens grenzen aan de toegangsweg, stellen zich op het standpunt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij menen dat aan de belangen van de omgeving is voorbijgegaan.

Appellanten hebben hiertoe in de eerste plaats aangevoerd dat de uitbreiding van het verenigingsgebouw, de bouw van de garageboxen en de aanleg van de zeven parkeerplaatsen tot een toename van het verkeer zullen leiden op de langs hun percelen lopende toegangsweg naar het binnenterrein en dat dit een onaanvaardbare overlast op hun percelen en aantasting van hun woongenot tot gevolg zal hebben. Zij stellen dat een andere ontsluiting van het binnenterrein in het plan had moeten worden opgenomen omdat de huidige ontsluitingsweg ongeschikt is.

Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de zeven parkeerplaatsen de parkeeroverlast in de buurt vanwege de in het verenigingsgebouw gevestigde schietvereniging niet zullen voorkomen.

Appellanten vrezen verder voor overlast en aantasting van privacy en woongenot ten gevolge van het ontstaan van een hangplek. Een en ander zal aldus appellanten leiden tot waardevermindering van hun woningen. Appellanten hebben in hun beroepschrift voorts aangevoerd dat een schietinrichting zoals hier gevestigd is, vanwege de daaraan verbonden risico’s niet in de woonbuurt thuishoort.

2.4. De gemeenteraad beoogt met het plan de uitbreiding van de kantine van de schietvereniging mogelijk te maken. De parkeerboxen zullen ter beschikking aan omwonenden worden gesteld om de bouw te bekostigen. De parkeerplaatsen voorzien ruimschoots in de grotere behoefte aan parkeren bij de verbouwde kantine, zo stelt de raad. Hij stelt zich op het standpunt dat geen planologische bezwaren bestaan tegen de planherziening en dat verplaatsing van de schietvereniging niet aan de orde is.

2.5. Verweerder acht het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt zich op het standpunt dat het bieden van parkeergelegenheid in een woonomgeving past en dat het binnenterrein zich daarvoor leent. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat, gelet op het beperkte gebruik van het verenigingsgebouw en van de toegangsweg, geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. Een afwijking van de afstandsnormen die gelden tussen een schietinrichting en een woonwijk zoals vermeld in de Brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (verder: de Brochure) acht hij in dit geval gerechtvaardigd.

2.6. Krachtens het aan de herziening voorafgaande plan was de bestemming van de gronden “Maatschappelijke doeleinden” en “Tuin of erf”. De bestemming “Maatschappelijke doeleinden” laat de vestiging van een schietvereniging in het aanwezige gebouw toe. Met de in het geding zijnde planherziening wordt het bouwvlak vergroot teneinde de bestaande kantine van de schietvereniging te kunnen vergroten. De bestemming “Tuin of erf” sluit de bouw van parkeerboxen uit. Bij de herziening is aan een deel van deze gronden de bestemming “Stallingsruimte” toegekend. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor stallingsruimtes voor motorvoertuigen. Op de gronden met de bestemming “Tuin of erf” zijn onveranderd verhardingen en parkeervoorzieningen toegestaan.

2.6.1. Naar het gemeentebestuur en verweerder ook hebben onderkend, moet ervan worden uitgegaan dat de met de planherziening mogelijk gemaakte ontwikkelingen een toename van het verkeer over de toegangsweg naar het binnenterrein met zich zullen brengen. Gegeven het aantal autoboxen dat is voorzien en in aanmerking genomen dat de uitbreiding van het verenigingsgebouw als betrekkelijk beperkt moet worden beschouwd, acht de Afdeling evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersintensiteit op deze weg een zodanige vorm zal aannemen dat dit een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten tot gevolg zal hebben. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de vergunning in het kader van de Wet milieubeheer die aan de schietvereniging “Willem Tell” is verleend het aantal verkeersbewegingen van en naar het verenigingsgebouw limiteert. Gelijk verweerder heeft opgemerkt, is in dit verband ook van belang dat het hier gaat om een als binnenstedelijk aan te merken gebied en dat in een dergelijk gebied enige overlast voor lief genomen moet worden. De Afdeling ziet overigens geen reden om appellanten te volgen in hun stelling dat de weg niet geschikt is voor autoverkeer. Van de weg wordt reeds door auto’s gebruik gemaakt en niet gebleken is dat dit op wezenlijke problemen is gestuit. Aangaande het betoog van appellanten dat het binnenterrein via een andere weg dan deze ware te ontsluiten, moet overwogen worden dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan een bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich gelet op het bovenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Overigens is ter zitting zijdens het gemeentebestuur gesteld en niet weersproken dat de onderdoorgang onder de appartementen aan de Rijssensestraat geen bruikbaar alternatief biedt voor de toegang vanaf de Dahliastraat naar het binnenterrein.

2.6.2. Wat betreft het bezwaar over parkeeroverlast overweegt de Afdeling dat met het oog op de uitbreiding van het verenigingsgebouw zeven parkeerplaatsen, afgesloten met een hek, op het terrein behorend bij het verenigingsgebouw zullen worden aangelegd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal onvoldoende is om in de behoefte aan parkeergelegenheid te voorzien en, mitsdien, dat de planherziening zal leiden tot parkeeroverlast. Overigens overweegt de Afdeling dat ter zitting onweersproken is gesteld dat er voor de garageboxen niet vrijelijk kan worden geparkeerd zodat er geen grond is voor de vrees voor overlast ter plaatse ten gevolge van zeer veel in- en uitrijdende voertuigen.

2.6.3. In de stukken noch het verhandelde ter zitting heeft de Afdeling grond kunnen vinden voor de vrees van appellanten dat op het binnenterrein of de toegangsweg een overlast veroorzakende hangplek voor jongeren zal ontstaan. Indien zich niettemin ontwikkelingen van dien aard zouden voordoen, zijn (bestuurlijke) maatregelen om daartegen op te treden voorhanden.

2.6.4. Aangaande het betoog van appellanten dat een schietvereniging niet in een woonbuurt thuishoort, overweegt de Afdeling dat niet onjuist is de stelling van appellanten dat te dezen niet aan de volgens de Brochure aan te houden minimale afstand tussen een schietinrichting en woonbebouwing wordt voldaan. De Afdeling wijst er evenwel op dat de in de Brochure aangegeven afstandsnormen indicatief zijn en dat deze in de eerste plaats zijn ontwikkeld voor nieuwe situaties. De onderhavige schietvereniging is al sinds 1985 legaal in het verenigingsgebouw gevestigd en is voorts in het bezit van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Onder deze omstandigheden heeft verweerder, naar het oordeel van de Afdeling, niettegenstaande bedoelde afwijking van de Brochure, kunnen instemmen met handhaving van de bestemming die het gebruik van het verenigingsgebouw door de schietvereniging toelaat.

2.6.5. Voorzover appellanten vrezen voor waardevermindering van hun woningen, wijst de Afdeling erop dat in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is voorzien in een regeling ter vergoeding van schade ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan. Overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de planherziening tot een zodanige waardevermindering van de woningen van appellanten zal leiden dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.7. De Afdeling komt tot de slotsom dat de in het geding zijnde planherziening voor appellanten niet geheel zonder bezwaren is. Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling evenwel geen grond om te oordelen dat deze bezwaren niet ondergeschikt konden worden geacht aan de met de planherziening gediende belangen.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. De Rooy

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

59-411.