Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200202430/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202430/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heumen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2002 heeft verweerder krachtens artikel 8.23 van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 21 augustus 2001, kenmerk 34-2-06, verleende revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid van deze wet voor een varkenshouderij op het perceel [locatie], gewijzigd. Dit besluit is op 27 maart 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 april 2002, bij de Raad van State ingekomen per fax op 1 mei 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juni 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door R.J.M. Kerkhof, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen de in voorschrift 2.1.2 opgenomen geluidgrenswaarde voor de dagperiode en de in dit voorschrift opgenomen definitie van incidentele bedrijfssituaties.

Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld, vinden de gronden inzake de in voorschrift 2.1.2 opgenomen geluidgrenswaarde voor de dagperiode en de in dit voorschrift opgenomen definitie van incidentele bedrijfssituaties wel hun grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat wordt afgeweken van de streefwaarden uit de Circulaire Industrielawaai voor de dagperiode en dat het begrip incidentele bedrijfssituaties niet is omschreven. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 van de revisievergunning van 21 augustus 2001 gewijzigd en voorschrift 4.1.6 daaraan toegevoegd. Bij uitspraak van heden, in zaak no. 200105217/1, heeft de Afdeling het besluit tot verlening van de revisievergunning van 21 augustus 2001 echter geheel vernietigd. Omdat de bij het bestreden besluit verleende wijzigingsvergunning onlosmakelijk is verbonden met, en niet zelfstandig kan bestaan zonder die vergunning, is aan het bestreden besluit, met terugwerkende kracht, de grondslag komen te ontvallen. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de Wet milieubeheer.

2.4. De Afdeling ziet echter aanleiding ten overvloede het volgende te overwegen.

Ingevolge het aan de revisievergunning van 21 augustus 2001 verbonden voorschrift 2.1.1 mag, voorzover hier van belang, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de binnen de perceelsgrens van de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de binnen de perceelsgrens van inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, bepaald volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai uitgave 1999", in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) al dan niet met beperkt frequente bedrijfssituaties (BFB) ter plaatse van woningen van derden dan wel op 55 meter afstand van de grens van de inrichting, niet meer bedragen dan 1, 35 en 0 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge het aan de revisievergunning van 21 augustus 2001 verbonden voorschrift 2.1.2 mag, voorzover hier van belang, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de binnen de perceelsgrens van de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de binnen de perceelsgrens van inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, bepaald volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai uitgave 1999", in incidentele bedrijfssituaties ter plaatse van woningen van derden dan wel op 55 meter afstand van de grens van de inrichting, niet meer bedragen dan 7, 35 en 0 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Bij het thans bestreden besluit zijn de bovengenoemde geluidgrenswaarden gewijzigd in 41, 35 en 30 dB(A) voor de representatieve bedrijfssituatie al dan niet met beperkt frequente bedrijfssituaties en in 47, 35 en 30 dB(A) voor incidentele bedrijfssituaties gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft hiertoe in het bestreden besluit overwogen dat het al in de bedoeling lag naar aanleiding van de ingekomen bedenkingen het besluit van 21 augustus 2001 dienovereenkomstig aan te passen, doch dat de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 destijds abusievelijk verkeerd zijn aangepast.

De Afdeling stelt met appellant vast dat de bij het bestreden besluit gewijzigde voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 wat betreft de geluidgrenswaarden gedurende de dag- en nachtperiode een versoepeling ten gunste van de drijver van de inrichting inhouden ten opzichte van de oude aan de vergunning van 21 augustus 2001 verbonden voorschriften 2.1.1 en 2.1.2. Gelet hierop is de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 oktober 1998, no. E03.96.1624 (aangehecht), van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 in het belang van de bescherming van het milieu is zoals artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer vereist. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De beroepsgronden behoeven voor het overige geen bespreking.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heumen van 19 maart 2002;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heumen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Heumen te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Heumen aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

154-399.