Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200203334/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/3975
Module Horeca 2003/758
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/4310
Encyclopedie Sociale Voorzieningen 2003/6
JOM 2006/840
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203334/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], gevestigd te [plaats], en [appellanten sub 2],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2001 heeft verweerder appellanten een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 1.361,34 per dag dat voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 6.806,70.

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is nog een stuk ontvangen van [belanghebbenden]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2002, waar appellanten, van wie [appellant sub 2] in persoon, bij monde van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door M. Brons, R. Boender en A.N. Goudswaard, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft een last onder dwangsom opgelegd in verband met het overschrijden van de in artikel 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit gestelde geluidgrenswaarden door de horecagelegenheid [horecabedrijf] aan de [locatie].

2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit, voorzover hier van belang, geldt voor het equivalente geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau in een in- of aanpandige woning niet meer bedraagt dan 35, 30 en 25 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.3. Appellanten hebben als bezwaren van formele aard aangevoerd dat het besluit in primo van 9 november 2001 ten onrechte is gericht aan de niet bestaande vennootschap onder firma [horecabedrijf], dat in het verslag van de hoorzitting van de adviescommissie voor de behandeling van de bezwaarschriften ten onrechte wordt gesteld dat er meerdere klagers zijn en dat het advies van deze commissie abusievelijk een bladzijde bevat die geen betrekking heeft op de opgelegde last onder dwangsom, en dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het door hen ingediende bezwaarschrift.

2.3.1. Het besluit in primo is gericht aan [horecabedrijf] ter attentie van [appellanten]. Onbestreden is dat de twee laatstgenoemden, gezien hun positie als vennoten in de desbetreffende vennootschap onder firma en als exploitanten, geacht moeten worden overtreder te zijn. Verweerder heeft derhalve het besluit in primo terecht mede aan deze appellanten gericht. Dat het besluit in primo abusievelijk de vennootschap onder firma [horecabedrijf] in plaats van de vennootschap onder firma [appellant sub 1]", handelend onder de naam [horecabedrijf] vermeldt, acht de Afdeling gelet op het vorenstaande geen tekortkoming die tot vernietiging van het bestreden besluit dient te leiden.

Zowel in het verslag van de hoorzitting als in het advies van de adviescommissie voor de behandeling van de bezwaarschriften, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is het standpunt van appellanten weergegeven dat alleen de bewoners van de woning aan de [locatie] klagen over geluidoverlast. Mede gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd inzake het verslag van de hoorzitting en het advies van de adviescommissie voor de behandeling van de bezwaarschriften geen grond die tot vernietiging van het bestreden besluit dient te leiden.

Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het door hen ingediende bezwaarschrift overweegt de Afdeling dat een overschrijding van de wettelijke beslistermijn de rechtmatigheid van het besluit niet aantast. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom had moeten intrekken op het moment dat een strafrechtelijke procedure werd gestart.

De Afdeling overweegt dat verweerder bij het opleggen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen een eigen, niet van de met de strafvervolging en strafoplegging belaste organen afhankelijke verantwoordelijkheid heeft.

Voorzover appellanten hebben gesteld dat het zogenaamde

una via-beginsel aan oplegging van de last onder dwangsom in de weg zou staan, merkt de Afdeling op dat dit beginsel, wat de preciese inhoud daarvan zij, niet van toepassing is, aangezien een dwangsom een reparatoire sanctie is en de verbeurte van de dwangsom door appellanten kan worden voorkomen door zich voortaan te houden aan het bij of krachtens de wet bepaalde, terwijl een strafrechtelijke procedure kan leiden tot een punitieve sanctie die is bedoeld om leed toe te brengen na het plegen van een overtreding.

2.5. Niet in geschil is dat de in voorschrift 1.1.1. van bijlage B bij het Besluit gestelde equivalente geluidgrenswaarde voor een in- of aanpandige woning gedurende de nachtperiode is overschreden. Verweerder was derhalve in zoverre gerechtigd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.6. Appellanten hebben betoogd dat verweerder in redelijkheid geen last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. In dit verband hebben zij aangevoerd dat de geluidoverlast is ontstaan doordat naast de horecagelegenheid zonder bouwvergunning en zonder overleg een pakhuis tot woonhuis is verbouwd. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat slechts één persoon in zijn woonkamer en kantoor geluidhinder ondervindt. Tot slot hebben appellanten betoogd dat zij reeds begonnen waren geluidbeperkende maatregelen te treffen.

Het belang dat voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit beoogt te beschermen, namelijk een acceptabele geluidkwaliteit in de directe omgeving van het bedrijf, in de zin van geluidbeleving en risico's voor de gezondheid van één of meer personen, is gediend met beëindiging van de met het Besluit strijdige situatie. Verweerder heeft hierbij terecht het feitelijk gebruik dat van het hindergevoelig object wordt gemaakt doorslaggevend geacht. De Afdeling is niet gebleken dat voor verweerder ten tijde van het primaire en bestreden besluit aanleiding bestond te veronderstellen dat appellanten zonder dat handhavingsmaatregelen van kracht zijn, zouden overgaan tot het opheffen van de met het Besluit strijdige situatie. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid kunnen overgaan tot het opleggen van een last onder dwangsom wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit.

2.7. Appellanten hebben betoogd dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking. In dit verband hebben zij gesteld dat het exploitatievoordeel bij een verhoogd geluidniveau ongeveer € 45,00 per dag bedraagt.

Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom gemotiveerd door te wijzen op de ernst van de overtreding, het geschatte exploitatievoordeel bij een verhoogd geluidniveau en de mate waarin de dwangsom een voldoende financiële prikkel geeft om de overtreding te beëindigen. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat verweerder de hoogte van dwangsom op € 45,00 had moeten vaststellen of dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.8. Appellanten hebben betoogd dat sprake is van rechtsongelijkheid, aangezien verweerder zonder het gebruikelijke traject van overleg te volgen, zoals zij bij het Haags Pop Centrum hebben gedaan, een last onder dwangsom heeft opgelegd.

Verweerder heeft appellanten in de gelegenheid gesteld geluidbeperkende maatregelen te treffen. Toen de met het Besluit strijdige situatie echter voortduurde, heeft verweerder alsnog een last onder dwangsom opgelegd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt en ook overigens is niet gebleken dat verweerder in een situatie die vergelijkbaar is met de onderhavige een traject van overleg volgt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

154-399.