Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200204033/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204033/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 14 juni 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris (thans de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de staatssecretaris) - voorzover hier van belang - de aan appellante op grond van de Wet individuele huursubsidie (vervallen, hierna: de Wih) voor het tijdvak 1996/1997 verstrekte bijdrage gewijzigd in dier voege dat de aan appellante toegekende huursubsidie over genoemd tijdvak van ƒ 4080,00 is gewijzigd in ƒ 2.580,00. Voorts heeft de staatssecretaris van appellante het teveel ontvangene van ƒ 1.500,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 11 december 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 juni 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 oktober 2002 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2002, waar appellante in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Stevens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wih, voorzover hier van belang, wordt voor de bepaling van de hoogte van de huursubsidie in aanmerking genomen het inkomen van de huurder over het aan 1 juli voorafgaande kalenderjaar.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, kan de minister in de gevallen waarin het voor de huurder tot een bijzondere hardheid zou leiden indien bepaalde bestanddelen van zijn inkomen ingevolge artikel 10, eerste lid, in verband met artikel 1, eerste lid, onder d, en achtste lid, voor de toepassing van de desbetreffende huursubsidietabel mede in aanmerking worden genomen, van die bepalingen afwijken.

2.2. Appellante wijst er op dat in het besluit van 21 april 1999 het beroep op de hardheidsclausule is afgewezen omdat de nabetaling niet een uitkering in het kader van de sociale zekerheid betreft. Appellante betoogt, daarbij verwijzend naar de uitspraak van de Afdeling van 15 november 1999, inzake no. H01.99.0061 (JB 2000/8), dat een dergelijk onderscheid niet gemaakt mag worden. Dit betoog kan niet slagen nu niet het besluit van 21 april 1999, maar dat van 11 december 2001 ter beoordeling van de rechtbank stond. De staatssecretaris heeft in laatstbedoeld besluit, anders dan in het besluit van 21 april 1999, het beroep op de hardheidsclausule afgewezen gelet op zijn beleid, dat een eenmalig hoog inkomen in zijn algemeenheid niet voor twee achtereenvolgende tijdvakken mag leiden tot een lagere bijdrage, waarbij het uitgangspunt is dat de huurder wordt geconfronteerd met de minst nadelige situatie. Dit laatste is in dit geval gebeurd.

Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat dit beleid niet onredelijk is en dat er in het door appellante aangevoerde geen aanleiding was voor de staatssecretaris om van zijn beleid af te wijken.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

195-209.