Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200202386/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202386/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te

's-Hertogenbosch van 21 februari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van een stacaravan op het perceel [locatie] te [plaats] te staken en deze van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 24 oktober 2001, waarnaar in het besluit wordt gewezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 februari 2002, verzonden op 20 maart 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te

‘s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door

mr. J.H.M. van den Eertwegh, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat appellant de stacaravan zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning heeft geplaatst en dat appellant de stacaravan in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kruisstraat” bewoont. Het college was derhalve bevoegd appellant de last onder dwangsom op te leggen.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.3. Vast staat dat appellant de stacaravan als tijdelijke woonvoorziening heeft geplaatst en in gebruik heeft genomen, in afwachting van een bouwvergunning voor de bouw van een inpandige bedrijfswoning op het onderhavige perceel. Vast staat voorts dat voor het verlenen van een bouwvergunning voor dit bouwplan een vrijstelling is vereist als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: W.R.O.).

2.4. Het college heeft aan het besluit tot handhaving ten grondslag gelegd dat geen vrijstelling en geen bouwvergunning kan worden verleend voor de bouw van een woning op het onderhavige perceel. Daartoe heeft het erop gewezen dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 2 oktober 1998 de weigering van een verklaring van geen bezwaar voor de bouw van een inpandige woning heeft gehandhaafd en de Afdeling bij uitspraak van 20 juni 2000 de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 1999, waarbij het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond is verklaard, heeft bevestigd.

2.5. Gebleken is dat het bedrijf van appellant voorheen was gevestigd op een perceel waarvan de bestemming de bedrijfsactiviteiten van appellant niet toeliet. Het college heeft de bedrijfsactiviteiten van appellant op dat perceel gedoogd, onder de voorwaarde dat appellant op zoek zou gaan naar een andere locatie voor zijn bedrijf. Appellant heeft gesteld dat hij aan het college heeft medegedeeld, dat hij om financiële redenen het onderhavige perceel slechts zou kunnen kopen indien hij ter plaatse tevens zou kunnen wonen. Naar het college ook heeft bevestigd, heeft het appellant daarop geantwoord dat op grond van het bestemmingsplan ter plaatse een vrijstaande bedrijfswoning kan worden gebouwd en dat voor een inpandige bedrijfswoning vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de W.R.O. kan worden verleend.

In het kader van de procedure tot het verkrijgen van de vereiste verklaring van geen bezwaar heeft het college van gedeputeerde staten evenwel vastgesteld dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat een vrijstaande bedrijfswoning op het perceel kan worden opgericht, aangezien de oorspronkelijke bedrijfswoning, die in het verleden van het perceel is afgesplitst, als zodanig dient te worden aangemerkt. De beoogde inpandige woning betreft derhalve een tweede bedrijfswoning, tegen de bouw waarvan het bestemmingsplan zich verzet. Het college van gedeputeerde staten heeft de verklaring van geen bezwaar vervolgens geweigerd omdat het bouwplan is gelegen binnen de stankcirkel van een nabijgelegen agrarisch bedrijf en de bouw van een woning aan de achterzijde van een bedrijfsruimte voorts ongewenst wordt geacht.

2.6. Appellant heeft in zijn zienswijze met betrekking tot het voornemen tot het opleggen van de last en in zijn bezwaarschrift gesteld dat het aannemelijk is dat het agrarisch bedrijf, gelet op de leeftijd van de exploitant en op de beperkte omvang ervan, binnen afzienbare tijd zal worden beëindigd. Voorts heeft appellant erop gewezen dat het bouwplan voor een inpandige woning aan de achterzijde van de bedrijfsruimte verband hield met de door het hoofd van het bureau Bouwen en Monumenten gestelde redelijke eisen van welstand en aan burgemeester en wethouders verzocht te onderzoeken of de bouw van een inpandige woning aan de voorzijde van de bedrijfsruimte alsnog tot de mogelijkheden behoort.

2.7. De Afdeling is niet gebleken dat het college, mede naar aanleiding hiervan, nader heeft onderzocht of beëindiging van het agrarisch bedrijf binnen afzienbare tijd in de rede ligt en alsnog planologische medewerking zou kunnen worden verleend aan realisering van een bedrijfswoning ten behoeve van appellant op het onderhavige perceel.

2.8. Nu de onderhavige situatie is ontstaan als gevolg van een onjuiste inschatting door het college van de bebouwingsmogelijkheden ter plaatse, als gevolg waarvan appellant een eveneens met het bestemmingsplan strijdige maar door het college gedoogde situatie vrijwillig heeft beëindigd, brengt de zorgvuldigheid ten aanzien van de vraag of concreet zicht op legalisering bestaat met zich mee, dat het college eerst al het noodzakelijke verricht om te bevorderen dat de bouw van de bedrijfswoning ter plaatse alsnog mogelijk wordt en zich over het antwoord op deze vraag afdoende duidelijkheid verschaft, alvorens te kunnen besluiten tot het treffen van handhavingsmaatregelen die strekken tot het verwijderen van de in afwachting van een bouwvergunning voor die woning als tijdelijke woonvoorziening geplaatste stacaravan.

2.9. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college bij de bestreden beslissing op bezwaar aan het voorgaande dan ook ten onrechte geen aandacht besteed. Het bestreden besluit is derhalve niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid en genomen en berust niet op een deugdelijke motivering. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

2.10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling de beslissing op bezwaar vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

2.11. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 21 februari 2002, AWB 01/3123 VV AWB 01/3124;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 27 november 2001, SO/JUR 9141;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van

's-Hertogenbosch op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van

's-Hertogenbosch in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.330,71 (2 x € 644,00 + € 42,71), van welk bedrag een gedeelte groot € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente 's-Hertogenbosch te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 256,39) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op

71-387.