Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3169

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200204066/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204066/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lopik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002, kenmerk 01.4331/TE, verzonden op

1 maart 2002, heeft verweerder aan appellant verscheidene lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd voor activiteiten op het perceel achter

[locatie] te [plaats].

Bij besluit van 4 juni 2002, medegedeeld bij brief van 13 juni 2002,

kenmerk 02.1000, verzonden op 17 juni 2002, heeft verweerder, voorzover hier van belang, het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. B.W. Maris, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door M.A. Engel en G.J. de With, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft bij besluit van 28 februari 2002 appellant gelast:

1. de overtreding van artikel 4, eerste lid, van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: het Besluit), voor 8 maart 2002 ongedaan te maken, door het indienen van een ingevuld meldingsformulier met bijbehorende plattegrondtekening, bij gebreke waarvan een dwangsom is verschuldigd van € 2.000 per maand, met een maximum van € 6.000 (hierna: last 1);

2. de overtreding van voorschrift 1.1.1 bij het Besluit ongedaan te maken, door voor 1 mei 2002 alle mest en gier uit het gedeelte van de schuur dat met stelconplaten is verhard, te verwijderen, bij gebreke waarvan een dwangsom is verschuldigd van € 4.000 per maand, met een maximum van € 12.000 (hierna: last 2);

3. de overtreding van voorschrift 1.1.7 bij het Besluit ongedaan te maken door voor 1 mei 2002 de vaste mest buiten de gebouwen te verwijderen of op te slaan op een voorziening als bedoeld in dit voorschrift, bij gebreke waarvan een dwangsom is verschuldigd van € 4.000 per maand, met een maximum van € 12.000 (hierna: last 3);

4. niet langer in strijd met voorschrift 4.1 bij het Besluit afvalstoffen in de inrichting te verbranden, waarbij een dwangsom van € 1.500 is verschuldigd per overtreding, met een maximum van € 4.500 (hierna: last 4);

5. de overtreding van de voorschriften 4.2 tot en met 4.4 en 10.2 bij het Besluit ongedaan te maken door voor 1 mei 2002 alle op het terrein van de inrichting aanwezige afvalstoffen te verwijderen, bij gebreke waarvan een dwangsom is verschuldigd van € 2.000 per maand, met een maximum van € 6.000 (hierna: last 5);

6. de overtreding van voorschrift 16.2.9 bij het Besluit ongedaan te maken door voor 1 mei 2002 de bovengrondse olietank te plaatsen binnen een vloeistofdichte omwalling (lekbak) die voldoet aan het hiervoor genoemd voorschrift, bij gebreke waarvan een dwangsom is verschuldigd van € 2.000 per maand, met een maximum van € 6.000 (hierna: last 6).

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met betrekking tot last 1 overwogen dat een heroverweging er toe leidt dat dit onderdeel van het besluit van 28 februari 2002 komt te vervallen. Voor het overige heeft hij zijn besluit gehandhaafd.

2.3. Voorzover appellant heeft betoogd dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zijn zienswijze tegen het voornemen tot het opleggen van de lasten onder dwangsom naar voren te brengen, overweegt de Afdeling dat verweerder bij brief van 5 februari 2002, appellant van zijn voornemen in kennis heeft gesteld en hem gedurende twee weken in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Deze brief is op 11 februari 2002 per aangetekende post verzonden. Blijkens de enveloppe is appellant bij bezorging op 12 februari 2002 niet thuis aangetroffen, maar is een kennisgeving door PTT post achtergelaten dat de brief op het postkantoor kon worden afgehaald. Appellant heeft de desbetreffende brief niet opgehaald, waarna deze op 8 maart 2002 aan verweerder retour is gezonden. Gelet hierop mist de stelling van appellant, dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, feitelijke grondslag.

2.4. Appellant heeft voorts als bezwaar van formele aard aangevoerd dat het voor hem bezwaarlijk is dat in de beslissing op bezwaar zowel is ingegaan op overtredingen in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening als op overtredingen in het kader van de Wet milieubeheer. De Afdeling overweegt dienaangaande dat verweerder in het bij het bestreden besluit gevoegde overzicht duidelijk heeft vermeld waar de oplegde lasten op zijn gebaseerd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant door deze handelwijze in zijn belangen is geschaad. Het bezwaar treft geen doel.

2.5. Appellant heeft verder een aantal inhoudelijke bezwaren tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde lasten onder dwangsom aangevoerd. Hij is het onder andere niet eens met de hoogte van de dwangsommen en de begunstigingstermijnen.

2.6. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.7. Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet werd voldaan aan de in de lasten 2, 3, 5 en 6 omschreven voorschriften. Met betrekking tot de overtreding van het in last 4 genoemde voorschrift acht de Afdeling het op grond van de stukken voldoende aannemelijk dat op het terrein afvalstoffen zijn verbrand. Verweerder was derhalve gerechtigd tot het opleggen van de genoemde lasten onder dwangsom. De Afdeling ziet in het door appellant aangevoerde, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze bevoegdheid gebruik te maken. Dat sedert het opleggen van de lasten onder dwangsom onder meer de opslag van vaste mest rond de schuur is verwijderd, een deel van het afval op het terrein is verwijderd en de olietank van een lekbak is voorzien, maakt dit niet anders.

Voorzover appellant heeft aangevoerd dat de door verweerder aan de lasten onder dwangsom verbonden begunstigingstermijnen zodanig gesteld zouden moeten worden, dat eerst een dwangsom wordt verbeurd indien het besluit tot oplegging van de lasten onder dwangsom onherroepelijk is geworden, overweegt de Afdeling dat deze stelling geen steun vindt in het recht. Voorts ziet de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant binnen de gestelde begunstigingstermijnen aan de lasten onder dwangsom kon voldoen.

Ten aanzien van het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling het volgende. Appellant heeft gewezen op een volgens hem vergelijkbaar geval in de gemeente Lopik waarbij de begunstigingstermijnen om aan de lasten te voldoen langer zouden zijn dan de termijnen die aan hem zijn opgelegd. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat deze situaties dusdanig van elkaar verschillen dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft. Ten aanzien van het door appellant genoemde geval heeft verweerder hetzelfde handhavingsbeleid gehanteerd, doch diende, alvorens tot het toepassen van handhavingsmaatregelen kon worden overgegaan, de vergunning geactualiseerd te worden, hetgeen vertraging betekende. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat binnen de gemeente Lopik sprake is van gelijke gevallen waarbij verweerder heeft afgezien van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen of begunstigingstermijnen heeft vastgesteld die veel langer waren dan in het onderhavige geval.

Wat betreft de hoogte van de dwangsommen ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de dwangsommen in verhouding staan tot de ernst van de overtredingen en de beoogde werking van de dwangsommen. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Gemert

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

243-324.