Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200202084/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202084/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. de Belangengroep Bewoners Buitenaf, gevestigd te Sliedrecht,

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders van Sliedrecht het uitwerkingsplan "De Dijk en De Punt" vastgesteld.

Verweerders hebben bij hun besluit van 5 maart 2002, kenmerk DRGG/ARB/02/543A, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 10 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2002, en appellante sub 2 bij brief van 23 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 mei 2002.

Bij brief van 11 juni 2002 hebben verweerders meegedeeld dat de beroepschriften geen aanleiding geven tot het uitbrengen van een verweerschrift.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2002, waar appellanten sub 1 in de persoon van [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door M.H. Bakker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn aldaar namens burgemeester en wethouders van Sliedrecht A.J. Verboom-Hofman, wethouder, en mr. W. Labee, ambtenaar van de gemeente, alsmede namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “ABB Ontwikkeling B.V.” mr. M. van Hal Scheffer, advocaat te Zeist, en [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het uitwerkingsplan strekt tot uitwerking van de bestemming “Woondoeleinden uitwerking (WU)“ van het bestemmingsplan “De Grienden en IJsbaanterrein” en beoogt hoofdzakelijk woningbouw op de Rivierdijk in Sliedrecht mogelijk te maken.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het uitwerkingsplan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dienen verweerders te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust daarnaast op verweerders de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten sub 1 voeren aan dat het besluit van verweerders onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd aangezien verweerders zich hebben gebaseerd op de volgens appellanten onzorgvuldige besluitvorming door burgemeester en wethouders.

2.3.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, tweede volzin, van de WRO ontvangen verweerders de bij burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval de raad, ingebrachte zienswijzen. Bij de beslissing omtrent de goedkeuring van een plan betrekken zij de zienswijzen waarmee bij de vaststelling reeds rekening is dan wel had moeten worden gehouden.

In artikel 7 van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn voor de totstandkoming van plannen, als bedoeld in artikel 11 van de WRO, voorschriften neergelegd. Niet is gebleken dat deze dan wel andere procedurevoorschriften niet zijn gevolgd.

Evenmin is gebleken dat de weerlegging door burgemeester en wethouders van de ingebrachte zienswijzen ongemotiveerd heeft plaatsgevonden. Verweerders konden verwijzen naar de weerlegging van 16 oktober 2001 door burgemeester en wethouders van de naar voren gebrachte zienswijzen.

Dit beroepsonderdeel van appellanten sub 1 is derhalve ongegrond.

2.4. Appellanten sub 1 en (de leden van) appellante sub 2, die allen woonachtig zijn in de polder direct achter de Rivierdijk, voeren aan dat verweerders het uitwerkingsplan ten onrechte hebben goedgekeurd voor zover dit betreft de plangedeelten tussen Aveling en Buitenaf en achter Buitenaf. Hiertoe stellen zij dat de bebouwings- en bestemmingsvoorschriften wat betreft de ter plaatse gelegen subbestemmingen “Wa” en “Wt”, niet in overeenstemming zijn met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan. Appellanten sub 1 stellen voorts dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het begrip “peil” in artikel 1, onder 6, van de voorschriften van het uitwerkingsplan, nu dit in het bestemmingsplan reeds wordt omschreven.

2.4.1. Burgemeester en wethouders zijn van mening dat het uitwerkingsplan past binnen de in het bestemmingsplan gegeven regels en in overeenstemming is met de in het bestemmingsplan gekozen systematiek.

2.4.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan of een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij sluiten zich aan bij het standpunt van burgemeester en wethouders.

2.4.3. In artikel 1, onder 6, van de voorschriften van het uitwerkingsplan wordt het begrip “peil” op een andere wijze omschreven dan in artikel 1, onder 16, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Dit is op zich niet ontoelaatbaar, mits dit niet tot rechtsonzekerheid leidt.

De Afdeling stelt vast dat op de desbetreffende plandelen zowel de bestemming ”Hoofdwaterkering”, zoals geregeld in artikel 15 van de voorschriften van het bestemmingsplan, als de bestemming “Woondoeleinden”, zoals nader geregeld in het uitwerkingsplan, van toepassing is. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan is op gronden met de bestemming “Hoofdwaterkering” primair artikel 15 van de voorschriften van het bestemmingsplan van toepassing. Ten aanzien van deze bestemming geldt het begrip “peil” zoals vermeld in artikel 1, onder 16, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Wat betreft de bestemmingsvlakken ”Woondoeleinden” geldt de omschrijving van dit begrip in artikel 1, zesde lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan. Ten aanzien van de desbetreffende plandelen gelden derhalve twee omschrijvingen van het begrip “peil”, hetgeen aanleiding kan zijn voor rechtsonzekerheid.

Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van appellanten sub 1 is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.4.4. De Afdeling overweegt vervolgens dat de in geding zijnde gronden in het bestemmingsplan zijn aangewezen voor “Woondoeleinden uitwerking (WU)” en ingevolge artikel 11, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn bestemd voor onder meer wonen met daarbij behorende tuinen en erven, bijgebouwen, verkeersdoeleinden in de vorm van buurtontsluitingswegen, verblijfsgebieden, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen en waterpartijen.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn op deze gronden uitsluitend bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden ten behoeve van de in het eerste lid vermelde doeleinden toegestaan die voorts in overeenstemming zijn met onder meer het bepaalde in artikel 10 van de voorschriften van het bestemmingsplan. Ingevolge dit artikel, dat betrekking heeft op de bestemming “Woondoeleinden (W)”, zijn aan gronden met die bestemming de volgende doeleinden toegekend:

a. woondoeleinden bestaand (Wb);

b. woondoeleinden in vrijstaande of twee-aaneen-gebouwde woningen (Wt);

c. woondoeleinden gestapeld (Wg).

De in het uitwerkingsplan opgenomen subbestemming “Wa” kan niet in overeenstemming worden geacht met deze doeleindenomschrijving, nu deze subbestemming hierin niet is opgenomen. Het uitwerkingsplan maakt in zoverre meer mogelijk dan het bestemmingsplan toelaat.

Het plan is derhalve in zoverre in strijd met artikel 11 van de WRO. Door het plan op dit punt niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft de bestreden plandelen met de subbestemming “Wa” reeds hierom dient te worden vernietigd. De overige bezwaren van appellanten inzake deze plandelen behoeven, gelet hierop, geen verdere bespreking.

2.4.5. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 1, onder 6, van de voorschriften van het uitwerkingsplan alsmede aan de plandelen met de subbestemming “Wa” voor zover gelegen binnen de door appellanten bestreden gedeelten van het plangebied.

2.4.6. Over de subbestemming “Wt” overweegt de Afdeling dat deze als zodanig in de doeleindenomschrijving van artikel 10 van de voorschriften van het bestemmingsplan is opgenomen. De uitwerkingsregels verzetten zich voorts niet tegen bebouwing op de dijk.

In artikel 3 van de voorschriften van het uitwerkingsplan is voor de subbestemming “Wt” een nadere regeling inzake de goot- en bouwhoogte opgenomen, welke onderscheid maakt naar het aantal bouwlagen en de kapconstructie. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze regeling, voor zover bestreden, in samenhang bezien met de bouwhoogten op de plankaart van het uitwerkingsplan, niet in overeenstemming is met de in artikel 10, vierde lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen goot- en bouwhoogte van 5,40 en 9 meter. Uit artikel 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan kan worden afgeleid dat voor het meten van de goot- en bouwhoogte niet, zoals appellanten stellen, de hoogte van de achter de dijk gelegen gronden relevant is. Dat in het verleden op en aan de dijk kleinere woningen stonden, kan aan de conclusie dat de thans gekozen maatvoering voldoet aan de uitwerkingsregels, verder niet afdoen.

2.5. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren voorts aan dat verweerders het uitwerkingsplan ten onrechte hebben goedgekeurd door onvoldoende rekening te houden met het bestaande dijklandschap dat bovendien door de dijkversterking veel massaler is geworden. In het bestemmingsplan is uitgegaan van polderbebouwing en niet van dijkbebouwing en in het dijklichaam gesitueerde huizen. Verder zal door de in het plan voorziene bebouwingsregeling vanwege onder meer de te ontstane schaduwhinder het woon- en leefklimaat worden aangetast, aldus appellanten.

2.5.1. Burgemeester en wethouders stellen dat in het uitwerkingsplan ten behoeve van de uiteindelijke inrichting van het gebied een aantal structuurbepalende elementen is vastgelegd, zoals de ontsluiting van het gebied, de situering van de voorgevelrooilijn van de woningen, de onderlinge afstand tussen de woningen en de te handhaven waterlopen en groenvoorzieningen. Voorts is afgezien van woonbebouwing onder aan de dijk aan de polderzijde. Daarmee is volgens hen voldoende rekening gehouden met de belangen van de bewoners van de aangrenzende woonwijk.

2.5.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan of een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij sluiten zich aan bij het standpunt van burgemeester en wethouders.

2.5.3. De Afdeling overweegt dat volgens de toelichting bij het uitwerkingsplan de oorspronkelijke bebouwing langs de Rivierdijk, waarvan het binnendijkse deel ten behoeve van de dijkversterking gesloopt moest worden, uitgangspunt is geweest voor de situering en de vormgeving van de met het plan mogelijk gemaakte woningen. Kenmerken zijn onder meer doorkijken de polder in, de menging van privé en openbare ruimten en het parkeren op eigen erf. Mede gelet hierop, maakt het plan benedendijks geen woningbouw mogelijk en is woningbouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen niet toegestaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat het uitwerkingsplan op de in geding zijnde gronden, gelet op de beperkingen inzake de bebouwingsomvang, bebouwing van een zodanige omvang mogelijk maakt dat hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het karakter van het dijklandschap.

Voorts wordt woningbouw op de Rivierdijk, wat betreft de subbestemming “Wt”, mogelijk gemaakt op een afstand van ongeveer 40 meter of meer tot de benedendijks gelegen woningen van appellanten. Hierdoor zullen de woningen van appellanten zich, gelet op de beschikbare bezonningsschema’s, gedurende een groter deel van het jaar dan thans vanwege de aanwezigheid van de dijk en andere woningen nabij hun woningen reeds het geval is, in de schaduw bevinden. Ook zullen enige inkijk en een verminderd uitzicht ontstaan. Verweerders konden zich evenwel in redelijkheid op het standpunt stellen dat aan het belang van de woningbouw een zwaarder gewicht moet worden toegekend nu niet aannemelijk is gemaakt dat de leefbaarheid voor appellanten onaanvaardbaar wordt aangetast.

2.6. Appellanten voeren verder aan dat verweerders het uitwerkingsplan ten onrechte hebben goedgekeurd omdat onvoldoende is voorzien in het voorkomen van parkeer- en verkeersoverlast.

2.6.1. Burgemeester en wethouders zijn van mening dat met het parkeren op eigen erf en het aanleggen van parkeerplaatsen aan de dijk, gelet op het aantal te realiseren woningen, voldoende parkeergelegenheid wordt geboden. Voor het parkeren op eigen erf wordt benedendijks een ontsluitingsweg aangelegd om gevaarlijke situaties op de dijk te voorkomen. Voorts wordt in voldoende mate voorzien in andere ontsluitingswegen.

2.6.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat de parkeersituatie en de ontsluiting voldoende zijn onderzocht en dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Zij sluiten zich verder aan bij het standpunt van burgemeester en wethouders.

2.6.3. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat het uitwerkingsplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid voor de te bouwen woningen op de Rivierdijk. Voor een belangrijk gedeelte wordt voorzien in parkeren op eigen erf en bovendien kan op de Rivierdijk zelf worden geparkeerd. Ook wat betreft de gestelde verkeersproblemen acht de Afdeling, gelet op de in het plan op gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden-verblijfsgebied (Vg)” opgenomen ontsluitingsmogelijkheden, niet aannemelijk gemaakt dat voor onaanvaardbare problemen moet worden gevreesd.

2.7. Appellante sub 2 voert ten slotte aan dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden-verblijfsgebied (Vg)” achter de woningen Buitenaf. Zij stelt dat ter plaatse om redenen van waterberging en veiligheid een vergroting van de aanwezige kwelsloot mogelijk gemaakt had moeten worden.

2.7.1. Burgemeester en wethouders wijzen er op dat bij een verbreding van de kwelsloot de kans bestaat dat de dijk gaat afschuiven. Verbreding is voorts niet nodig voor de hemelwaterafvoer in de wijk. De capaciteit van de sloot is voldoende.

2.7.2. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij sluiten zich aan bij het standpunt van burgemeester en wethouders waarbij zij er bovendien op wijzen dat voor de afvoer van hemelwater niet slechts de kwelsloot doch ook andere waterstaatkundige werken in het beheersgebied van belang zijn.

2.7.3. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan zijn de gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden-verblijfsgebied (Vg)” mede bestemd voor watergangen. Deze bestemming staat de aanleg van een bredere kwelsloot derhalve als zodanig niet in de weg. Voor zover het beroep is gericht tegen de uitvoering van het plan, kan dit niet in deze procedure aan de orde komen.

2.8. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, voor zover de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, behoudens hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.4.3. en 2.4.4., anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders voor het overige terecht goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan.

De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.9. Verweerders dienen in beginsel te worden veroordeeld in de proceskosten van appellanten sub 1 en sub 2, doch niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 5 maart 2002, kenmerk DRGG/ARB/02/543A, voor zover het betreft de goedkeuring van:

a. artikel 1, onder 6, van de voorschriften van het uitwerkingsplan;

b. de plandelen met de subbestemming “Wa”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende twee gewaarmerkte kaarten;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II.a. bedoelde voorschrift en de onder II.b. bedoelde plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten sub 1 en sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht

(€ 109,00 ieder afzonderlijk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Van Gastel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

261-371.