Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200204107/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204107/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 1 juli 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) appellant gelast de in aanbouw zijnde hobbyruimte/berging/paardenstal, gelegen op het perceel aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], te verwijderen, onder oplegging van een dwangsom van ƒ 100,00/€ 45,38 voor iedere dag dat niet aan die last is voldaan. Het maximum is daarbij bepaald op ƒ 50.000,00/€ 22689,01.

Bij besluit van 21 december 2001 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Commissie Beroep- en Bezwaar van 15 november 2000, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juli 2002, verzonden op 2 juli 2002, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 september 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 18 december 2002 heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door B.A. Mennink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat voor het oprichten van de hobbyruimte/berging/paardenstal niet de daarvoor ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet vereiste bouwvergunning is verleend. Het college is derhalve bevoegd tot het opleggen van de last onder dwangsom.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisering.

2.3. Onder verwijzing naar haar uitspraak van heden, inzake no. 200204106/1, is ook de Afdeling van oordeel dat voor de gerealiseerde hobbyruimte/berging/paardenstal geen concreet zicht op legalisering bestaat.

2.4. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden, die het college noopte van handhaving af te zien.

Ten aanzien van het door appellant in dat verband gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt de Afdeling vast dat appellant zich in zijn bezwaarschrift op één beweerdelijk gelijk geval heeft beroepen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college in het bestreden besluit de stelling dat sprake is van gelijke gevallen voldoende gemotiveerd heeft weerlegd.

Met betrekking tot de door appellant tijdens de eerste zitting bij de rechtbank overgelegde foto’s van een zestigtal beweerdelijk gelijke gevallen overweegt de Afdeling het volgende.

Appellant heeft gesteld dat door of namens de rechtbank aan het college is medegedeeld, dat het ter bespreking van de door appellant aangedragen gevallen kon volstaan met een representatieve selectie. Appellant is van mening dat de rechtbank een dergelijke mededeling niet had mogen doen, en dat het college zich bovendien ten onrechte heeft beperkt tot bespreking van elf van de zestig gevallen. Volgens appellant heeft het college aldus een onjuiste invulling gegeven aan de op hem rustende onderzoeksplicht.

Wat er ook zij van de gestelde mededeling van de zijde van de rechtbank, appellant heeft de juistheid van het standpunt van het college, dat de geselecteerde 11 gevallen nog het meest vergelijkbaar zijn met zijn situatie, niet betwist. De Afdeling acht het dan ook niet onjuist dat het college heeft volstaan met een bespreking van die elf gevallen.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voor de elf geselecteerde situaties geldt dat zij gelijk zijn aan noch gelijk kunnen worden gesteld met de thans ter beoordeling staande situatie van appellant. Daartoe is van belang dat het college heeft aangegeven dat in negen gevallen bouwvergunning is verleend. Het tiende geval betreft een met vergunning gerealiseerd kippenhok, dat is verbouwd tot zomerhuisje en dat al 25 jaar wordt bewoond. In het laatste geval, een illegale uitbreiding van een zomerhuisje, zal eveneens handhavend worden opgetreden.

Appellant heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de door hem in hoger beroep genoemde gevallen dezelfde zijn als de gevallen die bij de rechtbank naar voren zijn gebracht. Gelet hierop kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

2.5. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant aan het college medegedeeld niet in te stemmen met het voorstel van het college om de afmetingen van het onderhavige bouwwerk terug te brengen in een situatie, waarvoor wel bouwvergunning zou kunnen worden verleend. Ter zitting heeft appellant nogmaals bevestigd met dat voorstel niet in te willen stemmen. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van de last, die strekt tot afbraak van het bouwwerk.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Huijben

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

71-439.