Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200200432/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200432/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Gilze en Rijen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 mei 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Kern Gilze".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 december 2001, kenmerk 62068, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 20 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 27 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 28 maart 2002.

Bij brief van 1 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 september 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door P.H.G.M. Jansen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad van de gemeente Gilze en Rijen, vertegenwoordigd door A.M.M. van de Groes, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied ligt in de kern Gilze en omvat daarvan het centrale deel, waarbinnen het overgrote deel van de centrumfunctie zich bevindt. Dit centrale deel van de kern kenmerkt zich door de vanouds aanwezige lintstructuur. Het plangebied wordt voor een deel omgeven door de woongebieden en het bedrijventerrein van de kern Gilze. Voor een ander deel grenst het plangebied aan het buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen.

Het bestemmingsplan heeft tot doel voor de kern Gilze een eenduidige beleidsvisie te genereren en heeft zowel een beheers- als een ontwikkelingskarakter. Met het bestemmingsplan wordt in het plangebied een aantal plannen vervangen waarvan het oudste uit 1949 dateert. Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. [appellanten sub 1] wonen aan de [locatie sub 1]. Appellanten zijn van mening dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover dit erin voorziet dat direct ten westen van hun woonhuis een langzaam verkeersroute kan worden aangelegd. Zij zijn beducht voor overlast in de vorm van verkeersonveiligheid, sociale onveiligheid, vervuiling, vergroting van de inbraakgevoeligheid en vermindering van hun woongenot.

2.3.1. De gronden aan de noordzijde van de [locatie sub 1], waar appellanten wonen, zijn voorzien van de bestemming “Gemengd gebied”. Aan de gronden direct ten westen van de woning van appellanten is op de plankaart de aanduiding “langzaam verkeersroute” gegeven. Ingevolge artikel 5, eerste lid, laatste gedachtestreepje, van de voorschriften zijn deze gronden bestemd voor een langzaam verkeersroute. Deze langzaam verkeersroute verbindt de inbreidingslocatie aan de Jagilstraat met de Korte Wagenstraat en verder naar het zuiden met het park Mollebos en het Bisschop De Vetplein.

2.3.2. De aanduiding “langzaam verkeersroute” heeft een globaal karakter. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het plan zich er aldus niet tegen verzet dat de route op een zodanige wijze wordt ingericht dat de door appellanten genoemde vormen van overlast zich niet in ontoelaatbare mate zullen voordoen. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De Afdeling acht voorts niet aangetoond dat het gemeentebestuur onvoldoende maatregelen zal treffen om mogelijke overlast zoveel mogelijk te beperken. In dit verband kan worden opgemerkt dat ter zitting is gebleken dat reeds is gestart met het treffen van verkeersmaatregelen in de vorm van het instellen van een 30 km-zone en het aanleggen van een verkeersdrempel en dat de erfafscheiding van appellanten is vervangen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid op genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.4. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover daarin niet de aanduiding “BB” is gegeven aan zijn perceel aan de[locatie sub 2]. Voorts heeft appellant bezwaar tegen de regeling in de planvoorschriften waarbij de bestemming van bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4 kan worden omgezet in een bestemming voor bedrijven in milieucategorie 1 en 2. Tevens is hij van mening dat het plan geen beperking mag inhouden van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die het vorige plan bood voor zijn perceel.

2.4.1. De gemeenteraad heeft opgemerkt dat alleen bestaande bedrijven in milieucategorie 3 en 4 de aanduiding “BB” hebben gekregen. Als de milieuvergunning voor deze bedrijven vervalt na bedrijfsbeëindiging mag ter plaatse nog slechts een bedrijf in milieucategorie 1 of 2 worden gevestigd. Naar de mening van de raad betekent het plan voor het perceel van appellant nauwelijks een beperking ten opzichte van het vorige plan.

2.4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrijf van appellant kan worden aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 2. Daarom achten zij het juist dat aan het perceel niet de aanduiding “BB” is gegeven. Wat de gebruiksmogelijkheden betreft van het perceel sluit verweerder zich aan bij het standpunt van de gemeenteraad.

2.4.3. Volgens het deskundigenbericht heeft appellant ter plaatse tot eind 2000 een autogaragebedrijf met autospuiterij geëxploiteerd en zijn sindsdien de bedrijfshallen voornamelijk in gebruik als stalling voor auto’s, boten en caravans. De installaties ten dienste van het garagebedrijf inclusief de spuitcabine zijn echter nog aanwezig. Op grond van de milieuvergunning die appellant heeft, kan ter plaatse het autogaragebedrijf inclusief de autospuiterij worden voortgezet.

Op grond van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (hierna: de brochure) behoort een autospuiterij tot milieucategorie 3. Van de zijde van het gemeentebestuur is dit na het nemen van het bestreden besluit ook aan appellant bevestigd. Tevens is daarbij opgemerkt dat, indien de autospuiterij in bedrijf blijft, dit als feitelijk gebruik onder het overgangsrecht zal vallen, omdat ter plaatse volgens het plan uitsluitend bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zijn toegestaan. Dit standpunt wijkt af van hetgeen in het bestreden besluit staat.

Gelet op het verhandelde ter zitting acht de Afdeling niet aangetoond dat de spuitcabine niet meer in gebruik was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Verweerder heeft derhalve op grond van onvoldoende onderzoek geoordeeld dat het bedrijf in milieucategorie 2 valt en dat daarom de aanduiding “BB” niet op zijn plaats is.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Centrumgebied” dat betrekking heeft op het perceel Nieuwstraat 30a-32.

2.4.4. Ingevolge artikel 3, lid 2.1, onder c, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, mogen bestaande bedrijven welke op de plankaart zijn aangeduid met “BB” worden gehandhaafd. Indien echter gedurende drie jaar geen bedrijfsfunctie in het betreffend pand heeft plaatsgevonden, kan er geen nieuw bedrijf terugkeren.

Ingevolge artikel 3, lid 2.1, onder d, van de planvoorschriften kunnen bestaande bedrijven worden omgezet naar categorie 1 en 2 bedrijven.

Volgens de gemeenteraad is de bedoeling van de genoemde twee voorschriften om, wanneer de milieuvergunning van een bestaand bedrijf in milieucategorie 3 van rechtswege vervalt omdat het bedrijf drie jaar niet is uitgeoefend, ook in planologisch opzicht dat bedrijf ter plaatse niet meer mogelijk te maken. Naar de mening van het gemeentebestuur en verweerder wordt aldus aangesloten bij de milieuwetgeving. Wel zou daar dan een bedrijf uit categorie 1 of 2 kunnen worden gevestigd.

De Afdeling stelt vast dat de gemeenteraad en verweerder de milieuwetgeving terzake onjuist hebben weergegeven. De milieuvergunning van een inrichting die in werking is gebracht, vervalt niet van rechtswege na afloop van een termijn van drie jaar nadat geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De vergunning kan in een dergelijk geval door het bevoegd gezag wel worden ingetrokken op grond van artikel 8.25 van de Wet milieubeheer. Verder wordt in artikel 3, lid 2.1, onder c, bepaald dat na beëindiging van de bedrijfsfunctie, ter plaatse geen nieuw bedrijf kan terugkeren. Bedoeld is echter dat er geen bedrijf in milieucategorie 3 of 4 kan terugkeren, maar wel een bedrijf in milieucategorie 1 of 2. De tweede volzin in artikel 3, lid 2.1, onder c, is derhalve in strijd met de rechtszekerheid.

Voorts is in artikel 3, lid 2.1, onder d, niet bepaald onder welke omstandigheden bestaande bedrijven kunnen worden omgezet naar bedrijven in milieucategorie 1 en 2. Nu geen enkele voorwaarde is opgenomen waaraan getoetst dient te worden bij de omzetting van bedrijven naar een lagere milieucategorie, is dit voorschrift eveneens in strijd met de rechtszekerheid.

Het beroep is derhalve wat betreft bovenstaande regeling gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Tevens ziet de Afdeling aanleiding zelf voorziende goedkeuring te onthouden aan artikel 3, lid 2.1, onder c, de tweede volzin, en aan artikel 3, lid 2.1, onder d.

2.4.5. Wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt voor het perceel van appellant, overweegt de Afdeling als volgt.

Het perceel van appellant heeft in het plan de bestemming “Centrumgebied”. Op grond van artikel 3 van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming voorzover het gaat om woon- en bedrijfsmogelijkheden bestemd voor detailhandel, horeca I en II, kantoren, maatschappelijke en culturele voorzieningen, publiekverzorgend ambacht en dienstverlening en wonen. Een supermarkt is op grond van artikel 3, lid 2.1, onder a, binnen deze bestemming uitsluitend toegestaan indien er sprake is van verplaatsing van een andere bestaande supermarkt van buiten het plangebied en indien er in het plangebied niet meer dan drie supermarkten komen. Op grond van artikel 3, zesde lid, kan onder voorwaarden de bestemming van het perceel van appellant worden gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een supermarkt met woningen. Eén van de voorwaarden is dat het moet gaan om de verplaatsing van een andere supermarkt binnen het plangebied. Het beroep van appellant is vooral gericht tegen de beperkende voorwaarden inzake de vestiging van een supermarkt. Daarnaast vindt appellant dat ook horeca III, waartoe discotheken worden gerekend, voor zijn perceel mogelijk zou moeten zijn. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden geconcludeerd dat, anders dan appellant meent, de vestiging van een supermarkt en een discotheek onder het vorige plan niet mogelijk was, behoudens na het verlenen van een vrijstelling. Ook in dat geval zouden voorwaarden kunnen worden gesteld. Het toegestane bebouwingspercentage op het perceel is voorts ten opzichte van het vorige plan verhoogd. Van een verslechtering van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden in het nieuwe plan kan derhalve niet worden gesproken. Reeds hierom treft dit bezwaar geen doel.

Gezien het vorenstaande en hetgeen overigens is gebleken heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Dit beroepsonderdeel is ongegrond.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellant sub 2 te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellanten sub 1 bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I verklaart het beroep van appellant sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 december 2001, nr. 762068, voorzover het betreft de goedkeuring van:

a. het plandeel met de bestemming “Centrumgebied” dat betrekking heeft op het perceel Nieuwstraat 30a-32, nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

b. artikel 3, lid 2.1, onder c, de tweede volzin;

c. artikel 3, lid 2.1, onder d;

III onthoudt goedkeuring aan de planvoorschriften vermeld onder IIb en IIc;

IV bepaalt dat deze uitspraak wat betreft de onder III genoemde onderdelen in de plaats treedt van het onder II genoemde besluit;

V verklaart de beroepen van appellant sub 2 voor het overige en van appellant sub 1 geheel ongegrond;

VI veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 761,19, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;

VII gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant sub 2 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

303.