Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200201045/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201045/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2001, kenmerk 2001WM142, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een rundvee- en zeugenbedrijf op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 11 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 19 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 21 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2002, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2002, waar appellant sub 1 in persoon, appellant sub 2 in persoon en bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Rohaan, gemachtigde, zijn verschenen. Tevens is vergunninghouder daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een vergunning verleend voor het houden van 114 melkkoeien, 82 stuks jongvee, 165 guste en dragende zeugen, 50 kraamzeugen, 706 biggen en 1 beer.

2.2. Appellant sub 2 heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen.

De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat het bestreden besluit door J.C.M. van Berkel, het hoofd van de Sector Grondgebiedzaken, is genomen en ondertekend. Daartoe is J.C.M. van Berkel bij besluit van 4 september 2001 door verweerder gemandateerd. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen.

2.3. Appellant sub 2 vreest een toename van ammoniakemissie en

–depositie. In dit verband heeft hij gesteld dat onduidelijk is welk stalsysteem in stal 5 wordt toegepast. Verder heeft appellant sub 2 gesteld dat onduidelijk is of de afstand tot het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied wordt gewijzigd.

2.3.1. Blijkens het bestreden besluit is de vergunningverlening wat betreft de depositie van ammoniak gebaseerd op artikel 3 in samenhang met artikel 5 van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet). Verder komt uit het bestreden besluit naar voren dat toepassing is gegeven aan de basismethode van het ammoniakreductieplan van de gemeente Reusel-De Mierden.

2.3.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Interimwet moet een vergunning voor een veehouderij worden geweigerd, voorzover de ammoniakdepositie die de veehouderij kan veroorzaken op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, meer bedraagt dan de ingevolge de artikelen 4 tot en met 8 voor de betrokken veehouderij geldende waarde.

Ingevolge artikel 5 van de Interimwet geldt voor een veehouderij waarvoor op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, een onherroepelijke vergunning gold, - behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 6 - als waarde voor de ammoniakdepositie: de waarde van de depositie die op die datum ingevolge die vergunning ten hoogste was toegestaan. Indien deze waarde minder bedraagt dan 15 mol, geldt als waarde ten hoogste 15 mol.

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

2.3.3. Niet in geschil is dat aan de onderliggende vergunning rechten kunnen worden ontleend voor een veebestand dat overeenkomt met een ammoniakemissie van 2010,6 kg per jaar en een ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied van ongeveer 74,4 mol potentieel zuur per jaar.

2.3.4. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat in stal 5 352 biggen in een stalsysteem met Groen Label BB 97.01.052V2, 270 biggen in een stalsysteem met Groen Label BB 95.12.031V1 en 84 biggen traditioneel worden gehuisvest. Verder komt uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren dat de afstand tot het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied ongeveer 494 meter bedraagt en niet wordt gewijzigd.

Mede gelet op het vorenstaande is verweerder op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de ammoniakemissie van het bij het bestreden besluit vergunde veebestand 2009,6 kg per jaar en de ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied ongeveer 74,4 mol potentieel zuur per jaar bedraagt. Ten opzichte van de oude vergunde situatie nemen de ammoniakemissie en –depositie derhalve niet toe, zodat de gevraagde vergunning op basis van artikel 3 in samenhang met artikel 5 van de Interimwet en het ammoniakreductieplan kon worden verleend. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellanten sub 1 en 2 hebben ten aanzien van het aspect geluid primair aangevoerd dat de geluidrichtwaarden behorende bij het landelijk gebied zouden moeten worden verbonden aan het bestreden besluit. Subsidiair hebben zij gesteld dat de werkelijke referentieniveaus ter plaatse van de woningen aan de Hooge Mierdseweg 2, 2a, 3a, 5, 5a, 6, 7 en 8 niet overeenkomen met de door verweerder in de vergunningvoorschriften 6.1.1 en 6.1.3 gestelde equivalente geluidgrenswaarden. Volgens appellanten sub 1 en 2 is dit onder meer gelegen in het feit dat geen rekening is gehouden met afschermende bebouwingen.

2.5.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de referentieniveaus van het omgevingsgeluid ter plaatse van de door appellant sub 1 en 2 genoemde woningen hogere geluidgrenswaarden rechtvaardigen dan de voor een landelijke omgeving in de Handreiking voorgeschreven geluidrichtwaarden.

2.5.2. In vergunningvoorschrift 6.1.1 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de gevel van woningen aan de Hooge Mierdseweg 2, 2a, 3a, 5, 5a, 7 en 8 niet meer mag bedragen dan 55 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de dagperiode en 50 dB(A) respectievelijk 45 dB(A) op 5 meter hoogte in de avond- en nachtperiode.

In vergunningvoorschrift 6.1.3 is bepaald dat het hiervoor genoemde van de inrichting afkomstige geluid ter plaatse van de gevel van de woning aan de Hooge Mierdseweg 6 niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de dagperiode en 45 dB(A) respectievelijk 40 dB(A) op 5 meter hoogte in de avond- en nachtperiode.

2.5.3. De onderhavige veehouderij is gelegen in een landelijke omgeving. De in het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden liggen echter hoger dan de voor een dergelijk gebied in de Handreiking bepaalde geluidrichtwaarden van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Overschrijding van de richtwaarden is op grond van het door verweerder gehanteerde toetsingskader mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Ten behoeve van het bestreden besluit heeft verweerder het referentieniveau bepaald aan de hand van het optredende equivalente geluidniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, zijnde de Hooge Mierdseweg, minus 10 dB(A). Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder daarvoor gebruik heeft gemaakt van het Inventarisatierapport van de gemeente Reusel-De Mierden van juni 2001.

Blijkens de plattegrondtekening van de omgeving van de inrichting liggen aan beide zijden van de Hooge Mierdseweg woningen die wat het aspect geluid betreft bescherming toekomen. De dichtstbij de onderhavige veehouderij gelegen gevels van de woningen die aan dezelfde kant van de Hooge Mierdseweg zijn gelegen als de onderhavige inrichting worden door de eigen bebouwing in meer of mindere mate afgeschermd van het geluid afkomstig van die weg. Verweerder heeft hiermee geen rekening gehouden en heeft ter zitting erkend dat hij hierdoor het referentieniveau ter hoogte van de dichtstbij de onderhavige veehouderij gelegen gevels van de geluidgevoelige objecten niet juist heeft bepaald.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd en derhalve onvoldoende zeker of de aan het bestreden besluit verbonden equivalente geluidgrenswaarden gerechtvaardigd zijn op grond van het referentieniveau van het omgevingsgeluid en in dat opzicht door verweerder in redelijkheid toereikend kan worden geacht ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. Het bestreden besluit is derhalve in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. De beroepen van appellanten sub 1 en 2 zijn gegrond. Aangezien de geluidaspecten bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellant sub 2 te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellant sub 1 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 31 december 2001, kenmerk 2001WM142;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden in de door appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 764,09, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Reusel-De Mierden te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Reusel-De Mierden aan appellanten sub 1 en 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellant sub 1 en € 109,00 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

159-399.