Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200201062/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201062/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en

[appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2001, kenmerk 2001, XII-3-15, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 14 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2002.

Bij brief van 6 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2002, waar appellanten in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door R.L.E.M. Hartman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een oprichtingsvergunning verleend voor het houden van 48 kraamzeugen, 144 guste en dragende zeugen, 2 beren, 630 gespeende biggen en 70 opfokzeugen.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de grond inzake het niet-voldoen van het aangevraagde stalsysteem aan het alara-beginsel niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellanten hebben betoogd dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van 6 oktober 1999 als datum van ontvangst van de aanvraag voor de oprichtingsvergunning. Volgens appellanten is de aanvraag nadien gewijzigd en had moeten worden uitgegaan van een nieuwe aanvraag met als datum 18 juni 2001. In verband hiermee hebben zij aangevoerd dat het beroep moet worden afgedaan met inachtneming van de Wet ammoniak en veehouderij.

2.3.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij vervalt een vergunning die is aangevraagd op of na 8 december 2000 en voor het in werking treden van deze wet is verleend, met ingang van de dag waarop een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, waarbij de maximale emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, in werking treedt, indien:

a. de vergunning betrekking heeft op:

1°. het oprichten van een veehouderij, of

2°. het veranderen van een veehouderij, inhoudende een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en

b. een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een voor verzuring gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

Artikel 10, zevende lid, van de Wet ammoniak en veehouderij bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is, indien tegen een vergunning als bedoeld in dat lid binnen de daarvoor gestelde termijn beroep is of wordt ingesteld. Het beroep wordt afgedaan met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2.3.2. Uit de stukken komt naar voren dat de aanvraag na 6 oktober 1999 enkele malen is gewijzigd, laatstelijk op 18 juni 2001. De wijzigingen van de aanvraag zien met name op het toevoegen van een chemische luchtwasser aan de inrichting. Daarna zijn op 19 november 2001 de aanvraag en het ontwerp-besluit ter inzage gelegd. De Afdeling overweegt dat de Algemene wet bestuursrecht en de Wet milieubeheer niet in de weg staan aan een wijziging van de aanvraag voordat het ontwerp-besluit ter inzage is gelegd. Als datum van de aanvraag kon verweerder daarom uitgaan van 6 oktober 1999. Overigens is niet gebleken van een zodanige wijziging dat deze zich niet verdraagt met de oorspronkelijke aanvraag.

Nu de datum van de aanvraag is gelegen voor 8 december 2000 bestaat er geen grond voor het oordeel dat het beroep ingevolge artikel 10, eerste lid, in samenhang met artikel 10, zevende lid, van de Wet ammoniak en veehouderij moet worden afgedaan met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2.4. Appellanten hebben betoogd dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de in paragraaf 5.4 van het ammoniakreductieplan van de gemeente Winterswijk neergelegde regeling voor de hervestiging van bedrijven. In dit verband hebben zij aangevoerd dat deze regeling voor de hervestiging van bedrijven in strijd met de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet) is, omdat zij niet is gericht op de beperking van de ammoniakdepositie in het plangebied. Verder hebben appellanten betoogd dat niet wordt voldaan aan het vereiste van onmiddellijke samenhang als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet.

2.4.1. Blijkens het bestreden besluit is de vergunningverlening wat betreft de depositie van ammoniak gebaseerd op paragraaf 5.4 van het ammoniakreductieplan van de gemeente Winterswijk. Paragraaf 5.4 van dit

ammoniakreductieplan staat hervestiging van bedrijven toe. Er is sprake van hervestiging als een bedrijf uit Winterswijk in zijn geheel wordt verplaatst naar een andere locatie in Winterswijk. De vergunning van de oude locatie wordt dan ingetrokken.

2.4.2. Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 6 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die die veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat het ammoniakreductieplan van de gemeente Winterwijk aan de verplaatsing van emissierechten de algemene voorwaarde verbindt dat deze per saldo moet leiden tot een depositievermindering. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat paragraaf 5.4 van dit ammoniakreductieplan in strijd is met de Interimwet, omdat zij niet zou zijn gericht op de beperking van de ammoniakdepositie in het plangebied.

De onderhavige inrichting wordt verplaatst van het perceel Misterweg 209 naar het perceel [locatie]. De vergunningen van de inrichting op het perceel [locatie] zijn bij besluit van 10 augustus 1999 ingetrokken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat tussen de bij het besluit 10 augustus 1999 gerealiseerde intrekkingen en de bij het bestreden besluit verleende vergunning onmiddellijke samenhang bestaat als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet. Als gevolg van de verplaatsing van rechten beschikt de inrichting op het perceel [locatie] over voldoende rechten en is sprake van een afname van de ammoniakdepositie in het plangebied. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat de gevraagde vergunning op basis van paragraaf 5.4 van het ammoniakreductieplan van de gemeente Winterswijk kon worden verleend. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellanten vrezen stankhinder.

Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Voorzover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure Veehouderij en Hinderwet. Bij de beoordeling van mogelijke cumulatie van stankhinder heeft verweerder het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht, 46) tot uitgangspunt genomen.

De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat het aangevraagde veebestand overeenkomt met 135 mestvarkeneenheden. Bij een dergelijk veebestand dient op grond van de Richtlijn ten opzichte van categorie I, II, III en IV bebouwing ten minste een afstand in acht te worden genomen van respectievelijk 100, 100, 55 en 50 meter. Uit de stukken blijkt dat aan deze afstanden wordt voldaan. Verder blijkt uit de stukken dat geen sprake is van een onaanvaardbare cumulatie van stankhinder. Gelet op het vorenstaande treft deze beroepsgrond geen doel.

2.7. Appellanten stellen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.8. Appellanten hebben aangevoerd dat de vergunningverlening leidt tot aantasting van het landschap en de fauna.

De vraag of door de komst van de inrichting het landschap en de fauna worden aangetast, komt primair aan de orde in het kader van de planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige aantasting van het landschap en de fauna dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.9. Appellanten hebben betoogd dat de vergunning te veel geluidhinder toestaat.

2.9.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

2.9.2. Ingevolge voorschrift 16, onder a, mogen het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekgeluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden, ter plaatse van de woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen en alsmede op enig punt op een afstand van 50 meter van de inrichting niet meer bedragen dan 45, 40 en 35 dB(A) respectievelijk 65, 60 en 55 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.9.3. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder van mening is dat in het onderhavige geval voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau geluidgrenswaarden van 40, 35 en 30 dB(A) en voor het piekgeluidniveau geluidgrenswaarden van 60, 55 en 50 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode dienen te gelden. Deze geluidgrenswaarden zijn echter abusievelijk niet in voorschrift 16 gesteld. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat eist dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid wordt genomen.

2.10. Het beroep, voorzover ontvankelijk, is gegrond. Aangezien de geluidaspecten bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd.

2.11. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden te veroordeeld. Hierbij ziet de Afdeling geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van een in opdracht van appellanten opgesteld deskundigenrapport daar een dergelijk rapport niet door hen is overgelegd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake het niet-voldoen van het aangevraagde stalsysteem aan het

alara-beginsel betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk van 18 december 2001, kenmerk 2001, XII-3-15;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 42,61 voor [appellant sub 1] en € 131,79 voor [appellant sub 2]; het totale bedrag dient door de gemeente Winterswijk te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Winterswijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

159-399.