Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2901

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200202759/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202759/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 16 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2001 heeft de burgemeester van Groningen (hierna: de burgemeester) besloten de verkoop van softdrugs vanuit de door appellant geëxploiteerde coffeeshop [naam], gevestigd aan het [locatie] te [plaats], niet langer te gedogen.

Bij besluit van 23 augustus 2001 heeft de burgemeester het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 23 juli 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 augustus 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R. Moszkowicz, advocaat te Nieuwegein, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S.H. Spoormans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt voorop dat het betoog van appellant dat de rechtbank artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft geschonden, nu zij het onderzoek ter zitting niet naar een andere datum heeft willen verzetten wegens afwezigheid van zijn advocaat, niet slaagt. Daargelaten of genoemd verdragsartikel van toepassing is op een procedure aangaande een beslissing inzake gedogen als hier aan de orde, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de file in het verkeer de primaire oorzaak van de vertraging is geweest, als gevolg waarvan de gemachtigde niet op tijd voor de zitting aanwezig kon zijn. Deze omstandigheid komt voor risico van appellant. Voorts is door de rechtbank hierbij terecht in aanmerking genomen dat door appellant was verzocht om een versnelde behandeling van zijn zaak.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester toepassing gegeven aan de nota “Strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving met betrekking tot verkoop, aflevering, verstrekking, dan wel aanwezig hebben van hard- en softdrugs in voor publiek toegankelijke ruimten inclusief gedoogde koffieshops”, vastgesteld bij besluit van 30 november 1999 (hierna: de nota Handhaving). De Afdeling wijst in dit verband naar hetgeen daarover in de uitspraak van de rechtbank is overwogen.

2.3. Appellant heeft betoogd dat in zijn geval geen toepassing aan voormelde beleidsregels kan worden gegeven, nu deze niet aan hem persoonlijk zijn bekend gemaakt. Hiertoe had de burgemeester aanleiding moeten zien, nu de (gewijzigde) beleidsregels onderdeel vormen van de aan appellant verleende horecavergunning en de afgegeven gedoogbeschikking en sprake is van een kleine kring van horeca-ondernemers die over een gedoogbeschikking beschikt.

Dit betoog treft geen doel. Niet ontkend wordt dat de burgemeester het door hem gehanteerde handhavingsbeleid en de bijstelling daarvan bekend heeft gemaakt door middel van publicatie in de Groninger Gezinsbode. Daarmee heeft de burgemeester zijn nieuwe beleid afdoende bekend gemaakt. Dat hij de betreffende nota niet aan de coffeeshophouders heeft toegezonden, doet hieraan niet af, omdat daartoe geen verplichting bestond.

2.4. Appellant heeft voorts betoogd dat de brief van 18 juli 2000 moet worden gezien als een schriftelijke waarschuwing, die uitsluitend betrekking had op de incidentele verkoop aan een minderjarige. Naar zijn mening is dat onvoldoende om tot intrekking van de gedoogbeschikking over te gaan. Voorts heeft hij gesteld dat, nu aan de vechtpartij geen eerdere of mondelinge waarschuwingen zijn vooraf gegaan, aan het beleid geen juiste toepassing is gegeven.

Dit betoog slaagt niet. Aan het besluit tot intrekking van de gedoogstatus ligt niet alleen de schriftelijke waarschuwing van 18 juli 2000 als bedoeld onder punt II, onder d, van de nota Handhaving ten grondslag, doch het geheel van gedragingen dat blijkens een politieonderzoek heeft plaatsgevonden, waaronder begrepen de vechtpartij van 23 november 2000, het aantreffen van een grote hoeveelheid softdrugs in (en in de directe omgeving van) de horeca-inrichting en de aanwezigheid van meerdere (nep)vuurwapens en een knuppel. Dat appellant na de brief van 18 juli 2000 maatregelen heeft getroffen die ertoe hebben geleid dat zich ten aanzien van de verkoop aan minderjarigen geen onregelmatigheden meer hebben voorgedaan, maakt dit niet anders.

2.5. Appellant bestrijdt dat tijdens een doorzoeking op 24 november 2000 een hoeveelheid van 830 gram softdrugs in de horecagelegenheid is aangetroffen. Hij stelt dat de aangetroffen softdrugs door de politie niet zijn gewogen, doch dat de hoeveelheid slechts is geschat. Dat appellant nooit een dergelijke hoeveelheid in voorraad kan hebben gehad zou volgens hem blijken uit de wekelijkse omzet, alsook uit een verklaring van een medewerkster van 23 november 2000. Appellant meent dat de inbeslagname van 830 gram niet als bewijsmiddel is toegestaan zolang de rechtmatigheid daarvan niet vaststaat. In dit verband heeft hij gewezen op een nog lopende strafzaak.

Dit standpunt moet worden verworpen. Daarbij is in aanmerking genomen dat voor de onderhavige procedure geen strafrechtelijke bewijsregels gelden en dat voor de bestuursrechtelijke procedure kan worden uitgegaan van het feitencomplex, zoals dit onder meer uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van politie naar voren is gekomen. Voorts ziet de Afdeling in de omzet, die gemiddeld per week wordt behaald, noch in de verklaring van de medewerkster aanknopingspunten om de in het proces-verbaal van bevindingen weergegeven feiten voor onjuist te houden.

2.6. Appellant heeft tenslotte bestreden dat de vechtpartij, die op 23 november 2000 tussen de bedrijfsleider van de horecagelegenheid en een bezoeker heeft plaatsgehad, een zodanige situatie heeft doen ontstaan dat sprake is van een dreigende verstoring van het woon- en leefklimaat rondom de coffeeshop, nu sprake was van een op zichzelf staand incident. Gelet hierop acht hij de intrekking van de gedoogstatus disproportioneel. Voorts heeft appellant erop gewezen dat de vechtpartij buiten de inrichting heeft plaatsgevonden. Voor zover de bedrijfsleider bij zijn optreden fouten heeft gemaakt, zijn deze appellant niet aan te rekenen, doch kan hij hooguit privaatrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.

Dit betoog faalt evenzeer. Voor de vraag of de burgemeester heeft kunnen besluiten dat de gang van zaken in relatie tot de horeca-inrichting intrekking van de gedoogstatus rechtvaardigt, is niet relevant of de exploitant in enig opzicht een verwijt kan worden gemaakt. Evenmin is relevant dat het handelen van de beheerder privaatrechtelijke aansprakelijkheid voor de werkgever met zich kan brengen. Vast staat dat de vechtpartij in relatie stond tot de horeca-inrichting. Dat deze buiten heeft plaatsgevonden doet daar niet aan af. Gelet op de ernst van de vechtpartij waarbij de beheerder een echt lijkend wapen heeft getoond, bezien in samenhang met de andere in 2.4 genoemde gedragingen, kan niet worden gezegd dat de burgemeester zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een dreigende verstoring van het woon- en leefklimaat sprake was en tot intrekking van de gedoogstatus kon overgaan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

91-421-393.