Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200201712/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201712/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Gulpen-Wittem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 mei 2001, het bestemmingsplan "Engelsdalstraat" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 februari 2002, kenmerk 2002/4798, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 juni 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2003, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.J.M. Timmermans, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Verder is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door ir. P.G.H.M. Lemmerlijn, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 31 woningen in Slenaken. Met het plan wordt in hoofdlijn een afronding van de bebouwing van de kern Slenaken ten opzichte van het buitengebied beoogd. Het plan bestaat uit twee fasen. De gronden gelegen in fase 1 hebben de bestemming “Woondoeleinden” gekregen. Deze bestemming voorziet in de bouw van 20 woningen. De gronden gelegen in fase 2 zijn bestemd tot “Uit te werken woondoeleinden”. Na uitwerking kan in fase 2 een aantal van 11 woningen worden gebouwd.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan de bestemming “Uit te werden woondoeleinden”. Hij heeft het plan voor het overige goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellant kan zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bouw van de woningen in fase 1. Hij stelt dat verweerder bij de goedkeuring van het plan ten onrechte andere uitgangspunten hanteert dan bij de partiële streekplanherziening openruimte- en bufferzonebeleid Zuid-Limburg (hierna: de streekplanherziening). Appellant meent dat het plan in strijd is met het beleid om het buitengebied en droogdalen te beschermen en met het restrictieve beleid dat voor het Heuvelland van toepassing is en door het Rijk is vastgelegd in onder meer de Vierde Nota Extra (hierna: Vinex). In dit verband stelt hij dat het beleidsuitgangspunt inbreiding en herstructurering boven uitbreiding in waardevolle landschappen als het onderhavige door de provincie in haar toetsing niet of onvoldoende is betrokken. Verder betoogt appellant dat het plan ten onrechte voorziet in een regionale behoefte aan woningen in plaats van voor de eigen inwoners. Ten gevolge van het plan gaan naar zijn mening visueel landschappelijk kenmerken alsmede cultuurhistorische kenmerken verloren welke niet kunnen worden gecompenseerd en bovendien plaatsgebonden zijn. Voorts stelt appellant dat het plan niet past in de contouren zoals bedoelt in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (hierna: Vijfde Nota), waarop geanticipeerd had moeten worden.

2.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het plan los staat van de contourvoorstellen in de streekplanherziening, doch daar overigens wel inpassen. Het restrictieve beleid van de provincie en het Rijk houdt niet in dat er geen uitbreidingen meer mogen plaatsvinden, aldus de gemeenteraad. De gemeenteraad is van mening dat een afweging tussen het natuurbelang en de met het plan gediende belangen wel degelijk heeft plaatsgevonden. Binnen bestaande bestemmingsplannen is geen capaciteit aanwezig om in de benodigde woonbehoefte te kunnen voorzien. Daarnaast kan via inbreiding kwalitatief en/of kwantitatief niet aan de woningbehoefte worden voldaan, aldus de gemeenteraad.

2.5. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij kan zich verenigen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent.

2.6. Op 17 december 1999 hebben provinciale staten van Limburg de streekplanherziening vastgesteld. De aanleiding tot de streekplanherziening ligt besloten in de geactualiseerde Vinex. In deze rijksnota wordt uitbreiding van het ruimtebeslag voor verstedelijking in het Mergelland en in de bufferzones in principe afgewezen. Voldaan moet worden aan de Vinex-opdracht om invulling te geven aan een restrictief beleid waarbij het ruimtebeslag in principe, afgezien van de regionale kernen, niet mag worden uitgebreid. Het Rijk opteert daarbij voor vast te leggen contouren rond kernen in het landelijk gebied; alternatieven zijn bespreekbaar mits zij hetzelfde resultaat opleveren. De streekplanherziening omvat een partiële herziening van het Streekplan Zuid-Limburg van februari 1987 en behelst een aanscherping van het al bestaande zogenoemde restrictieve beleid voor woningbouw en bedrijventerreinontwikkeling in het landelijk gebied van Zuid-Limburg. Het beleid is blijkens de streekplanherziening erop gericht verstedelijking zoveel mogelijk te voorkomen. Ter concretisering van dit beleid zijn de daarvoor in aanmerking komende kernen omgeven door een contour die de functie van bebouwingsgrens bezit en waarbinnen alle toekomstige stedelijke ontwikkelingen dienen plaats te vinden. De in de contourenatlas opgenomen contouren zijn voornamelijk van lokale kernen. In lokale kernen wordt ernaar gestreefd alleen te voorzien in de woningbehoefte van de eigen bevolking. Het liggen van percelen binnen een contour houdt niet automatisch in dat er gebouwd kan worden; voor het bouwen binnen de contouren geldt de normale afweging op bestemmingsplanniveau. Hierbij wordt gestreefd naar inbreiding boven uitbreiding. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 17 juli 2002, nummer 200001555/1, komt het vorenstaande beleid haar niet onredelijk voor en hebben provinciale staten de contour rond de kern Slenaken, waarbinnen het plangebied ligt, in redelijkheid zo kunnen trekken.

Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid heeft kunnen vasthouden. De Afdeling overweegt hiertoe als volgt.

2.6.1. In opdracht van de gemeenteraad heeft ETIL B.V. in 2000 een woningbehoefteonderzoek uitgevoerd voor de gemeente Gulpen-Wittem met een doorkijk naar de periode tot 2010/2015. Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de bevolkingssamenstelling voor de kern Slenaken in de periode 2000 tot 2010 een groei van de bevolking wordt verwacht. Om deze bevolkingsgroei op te vangen zijn er 31 woningen nodig, waarvan 15 voor specifieke ouderenhuisvesting.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de behoefte aan de bouw van 20 woningen in fase 1 voldoende aannemelijk is gemaakt. De omstandigheid dat een aantal percelen zijn uitgegeven aan anderen dan aan inwoners van Slenaken doet aan het vorenstaande niet af.

2.6.2. Verder overweegt de Afdeling dat de kern Slenaken is gelegen in een gebied dat landschappelijk van uitzonderlijke betekenis is. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de gemeenteraad bij de locatiekeuze uitgegaan van het behoud van het oorspronkelijk dorp en het behoud van de omringende landschappelijke waarden in brede zin van dit begrip. Daarnaast heeft de gemeenteraad gekozen voor een definitieve afbouw voor de kern. In dit verband wordt afgezien van uitbreiding in de lengterichting van het dal. De gemeenteraad heeft gekozen voor het plangebied, aangezien dit landschappelijk het minst kwetsbaar ligt.

De Afdeling overweegt dat verweerder er in redelijkheid vanuit heeft kunnen gaan dat er geen inbreidingslocaties binnen de gemeente Slenaken voor handen zijn en dat de huidige bestemmingsplannen niet voldoende ruimte bieden om te voorzien in de woningbehoefte. Verder overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de aanwezige natuurwaarden zodanig zullen worden aangetast dat verweerder niet heeft kunnen instemmen met de woningbouw ter plaatse. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de aard en omvang van de uitbreiding, de aantasting van de natuurwaarden gering is en het plan landschappelijk wordt ingepast. Voorts heeft verweerder betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de uitbreiding zodanig is opgezet dat enerzijds wordt aangesloten bij de bestaande bebouwingstructuren van Slenaken en anderzijds een relatief vloeiende overgang naar het buitengebied wordt verkregen door een bufferzone van opgaande en in het landschap passende beplanting in het plan te voorzien.

2.6.3. Verder is niet gebleken van enige strijd met het in de Vinex neergelegde restrictief beleid. Het rijksbeleid laat immers de provincies vrij in de vormgeving van het restrictief beleid op dit punt. Daarnaast is niet gebleken dat het plan niet past binnen de Vijfde Nota, los van de vraag of hieraan getoetst dient te worden.

2.7. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. O. Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

12-409.