Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200203243/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2003/3372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203243/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2001 heeft de gemeenteraad van Kerkrade, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 september 2001, het bestemmingsplan "Villapark Holzkuil" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 mei 2002, kenmerk 2002/18350, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 12 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2002, en [appellant sub 2] bij brief van 1 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2002, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij ongedateerde brief.

Bij brief van 27 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2002, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. E.U.H. van de Schepop, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.J. Bomhoff, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Widdershoven, ambtenaar van de gemeente, gehoord. [appellant sub 1] is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet via een uitwerkingsregeling in een nieuw woongebied van ongeveer 220 woningen. Daarnaast zijn de bestaande woningen planologisch vastgelegd.

Verweerder heeft het plan bij het bestreden besluit gedeeltelijk goedgekeurd.

2.2. [appellant sub 1] heeft geen bedenkingen tegen het plan ingebracht bij verweerder.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij gedeputeerde staten. Dit is slechts anders, voorzover het besluit van gedeputeerde staten in zoverre strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen.

In dit geval acht de Afdeling het niet indienen van bedenkingen niet verschoonbaar, omdat niet is gebleken dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen. De omstandigheid dat de gemeenteraad zijn zienswijze buiten beschouwing heeft gelaten, kan niet als zodanig gelden. Hierbij betrekt de Afdeling dat is voldaan aan de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Algemene wet bestuursrecht gestelde publicatie-eisen. Appellante had derhalve op de hoogte kunnen zijn van de mogelijkheid om bedenkingen bij verweerder in te dienen en daarbij aan tekenen dat de gemeenteraad zijn zienswijze niet in behandeling heeft genomen. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan de verplichting bestaat eventuele belanghebbenden persoonlijk hiervan in kennis te stellen. Het behoort derhalve in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante op de hoogte te blijven van de bestemmingsplanprocedure en (tijdig) bedenkingen in te dienen.

Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. [appellant sub 2] voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemmingen op het perceel nummer […], sectie […], te [plaats]. Zij stelt dat het plan niet voldoende bouwmogelijkheden op het perceel biedt voor het bouwen van één of twee woningen, waarvoor zij concrete plannen heeft.

2.4.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden van appellante de bestemmingen “Uit te werken woondoeleinden -UW-“, “Groenvoorzieningen -G-“ en “Verblijfsdoeleinden, auto’s toegestaan -Vb(a)-“ toegekend.

2.4.2. Verweerder heeft het bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.4.3. Het plangebied ligt tussen de kernen Chevremont en Eygelshoven van Kerkrade. Ten zuiden van het plangebied ligt het recreatiegebied Carisborg. Tezamen vormt het gebied een aaneengesloten landschappelijke zone binnen het stedelijk gebied van Kerkrade. Uitgangspunt voor deze locatie is de ontwikkeling van een groen stedelijk woonmilieu waarbij wonen in lage dichtheid met veel groenvoorzieningen wordt nagestreefd.

Onder het bestemmingsplan “Holzkuil (1980)” had het perceel van appellante een tuin-, verkeers- en bijzondere doeleindenbestemming. Aan het perceel zijn in het voorliggende plan bovengenoemde bestemmingen toegekend. Ingevolge de planvoorschriften zijn alleen binnen de bestemming “Uit te werken woondoeleinden -UW-“ woningen mogelijk. Gelet op de opzet van het plan heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de aan het perceel van appellante toegekende bestemmingen. Niet is gebleken dat de gemeenteraad de bestemmingen willekeurig of op oneigenlijke gronden heeft toegekend.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.5. Verder kan [appellant sub 2] zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel dat voorziet in de ontsluiting van de Eygelshovergracht tegenover het perceel [locatie]. Zij stelt dat dit leidt tot een verkeersonveilige situatie. Daarnaast vreest zij geluidhinder, luchtverontreiniging en trillingshinder op het vorengenoemde perceel.

2.5.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de T-aansluiting nodig is ter ontsluiting van de Eygelshovergracht. Hij stelt dat de aansluiting niet intensief zal worden gebruikt waardoor de overlast voor de woning aan de [locatie] gering zal zijn. Verder meent hij dat er geen sprake is van een verkeersonveilige situatie omdat de aansluiting aan de buitenzijde van de kromming is gelegen waardoor er een beter overzicht op de verkeerssituatie is.

2.5.2. Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij kan instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent.

2.5.3. De Afdeling overweegt dat het plangebied ontsloten wordt door vier wegen, waaronder de Laan van Carisborg die uitkomt op de Eygelshovergracht recht voor het perceel van appellante. De Eygelshovergracht is een doorgaande weg. De huidige verkeersbelasting aldaar is ongeveer 6.000 motorvoertuigen per etmaal. De Laan van Carisborg dient blijkens de stukken ter ontsluiting van ongeveer 55 tot 65 woningen. Op basis hiervan heeft de gemeenteraad een verkeersprognose opgesteld. Hieruit is af te leiden dat de verkeersbelasting op de Laan van Carisborg wordt geschat op ongeveer 250 motorvoertuigen per etmaal. Ten gevolge hiervan stijgt ook de verkeersbelasting op de Eygelshovergracht met ongeveer 250 motorvoertuigen per etmaal. Niet is aannemelijk gemaakt dat hierbij is uitgegaan van onjuiste veronderstellingen.

Mede gelet op de geringe toename van de verkeersbelasting op de Eygelshovergracht ten opzichte van de huidige verkeersbelasting aldaar heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de ontsluiting nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat voor de bewoners van de woning aan de [locatie].

2.5.4. Verder overweegt de Afdeling dat verweerder terecht heeft betoogd dat het gemeentebestuur verkeersmaatregelen kan nemen ter voorkoming van verkeersonveilige situaties. Een en ander in aanmerking genomen heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende mogelijkheden biedt voor een verkeersveilige situatie ter plaatse.

2.5.5. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellant sub 2] is ook in zoverre ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

210-409.