Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200200707/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/4254
Milieurecht Totaal 2003/3632
JM 2003/64 met annotatie van Wiggers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200707/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant 1 e.a.], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Rucphen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Shockwave Metalworking Technologies B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bewerken van metalen met behulp van explosieven, te weten "explosief-lassen" (plateren), "explosief-vormen" en "explosief-snijden", alsmede de handel en opslag van springstoffen en ontstekers, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Rucphen. Dit aangehechte besluit is op 24 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 31 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 juni 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2002, waar appellanten, van wie [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door

mr. A.A. Fasting en [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door A.J.J.P. Schrauwen, ambtenaar van de gemeente, en C. Aarts en R. Wilbrink, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door

de directeur, en [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Appellanten stellen dat het advies van de directie Materieel van de Koninklijke Landmacht van 30 augustus 2001 ten onrechte niet met het bestreden besluit ter inzage heeft gelegen en in ieder geval niet is meegezonden als bijlage bij dit besluit.

2.1.1. Ingevolge artikel 3:44, tweede lid, aanhef en onder a, juncto artikel 3:19, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht doet het bestuursorgaan uiterlijk twee weken na de bekendmaking mededeling van het besluit door terinzagelegging.

Ingevolge artikel 3:44, tweede lid, aanhef en onder b, doet het bestuursorgaan uiterlijk twee weken na de bekendmaking mededeling van het besluit door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die tegen het ontwerp van het besluit bedenkingen hebben ingebracht.

2.1.2. De Afdeling stelt vast dat de door appellanten gestelde tekortkomingen dateren van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke tekortkomingen kunnen geen grond zijn voor vernietiging van het bestreden besluit, aangezien deze niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van dat besluit kunnen aantasten. Hierom is het beroep in zoverre ongegrond.

2.2. Appellanten stellen dat de in de aanvraag vermelde afstand van 75 meter van de grens van de inrichting tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning van derden onjuist is.

2.2.1. Verweerders stellen dat de afstand tot de dichtstbijzijnde woning in werkelijkheid minder bedraagt (65 tot 70 meter), maar dat het verschil tussen deze afstanden niet relevant is in het kader van de vergunningverlening, omdat bepaling van de milieubelasting op een woning plaatsvindt op basis van de afstand van de emissiebron tot aan woningen.

2.2.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de beoordeling van de aanvraag op de diverse hinderaspecten is uitgegaan van onjuiste afstanden van emissiebronnen tot omliggende woningen. Nu de in de aanvraag vermelde, onjuiste afstand niet tot een onjuiste beoordeling van de aanvraag heeft geleid, kan het door appellanten gestelde niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

2.3. Appellanten stellen dat verweerders een nieuw onderzoek hadden moeten laten verrichten naar de emissie van stoffen naar de lucht.

2.3.1. Verweerders stellen dat er geen reden is om te twijfelen aan de resultaten van het onderzoek uit 1996, waarbij werd gewerkt met een hoeveelheid springstof van 45 kg. Op basis van extrapolatie van die resultaten is volgens hen de verwachting gerechtvaardigd dat geen overschrijding van de normen zal optreden bij het werken met grotere hoeveelheden springstof. Zij wijzen er voorts op dat in de vergunningvoorschriften is bepaald dat na vergunningverlening een nieuw emissie-onderzoek moet plaatsvinden.

2.3.2. Ingevolge voorschrift 1.28 dienen de rookgassen die vrijkomen tijdens het explosielassen zoveel als mogelijk te worden afgezogen. De hiervoor beoogde afzuiginstallatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat ten aanzien van de in de tabel bij dit voorschrift genoemde stofklassen, bij een overschrijding van de ongereinigde grensmassastroom, de in die tabel genoemde emissiegrenswaarden niet worden overschreden.

Ingevolge voorschrift 1.29 dient binnen zes maanden na het van kracht worden van de vergunning aan het bevoegd gezag een rapportage te worden overgelegd waarin ten minste de volgende aspecten zijn opgenomen:

de vaststelling van de massastromen in kg/h en het door het laten uitvoeren van een meting vaststellen van de concentraties van de geëmitteerde stoffen indien deze de grensmassastroom overschrijden.

Ingevolge voorschrift 1.30 kan het bevoegd gezag afhankelijk van de resultaten van het in voorschrift 1.29 bedoelde rapport nadere eisen opleggen met betrekking tot de emissiebeperking van de rookgassen die vrijkomen als gevolg van het explosielassen.

2.3.3. Verweerders hebben in de considerans van het bestreden besluit op basis van extrapolatie van de resultaten van het onderzoek "Emissie-rapport Shockwave Metalworking Technologies B.V." van [onderzoeksbureau] van 4 oktober 1996, waarin inzicht wordt gegeven in de emissies van een springstoflading van 45 kg, een schatting gemaakt van de te verwachten emissies bij een springstoflading van 200 kg. Mede gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is de Afdeling van oordeel dat verweerders op basis van deze extrapolatie ervan mochten uitgaan dat het niet onmogelijk is om bij een dergelijke hoeveelheid springstoflading aan de in voorschrift 1.28 opgenomen emissiegrenswaarden te voldoen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat verweerders de voorschriften 1.29 en 1.30 aan de vergunning hebben verbonden, waardoor met inachtneming van de grondslag van de aanvraag alsnog aanvullende maatregelen zouden kunnen worden getroffen. Het beroep treft op dit punt geen doel.

2.4. Appellanten stellen dat ten onrechte is nagelaten een onderzoek naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid uit te voeren. Ze stellen dat verweerders hebben verzuimd na te gaan of het mogelijk is het geluidniveau door het treffen van voorzieningen verder terug te brengen.

2.4.1. Ingevolge voorschrift 1.19 mag het langetijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van enige niet tot de inrichting behorende woningen van derden, alsmede de referentiepunten 3 tot en met 5 niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De referentiepunten 3 tot en met 5 staan aangegeven op de bij het voorschrift behorende kaart met nummer SMT nr 1.

2.4.2. Gelet op de stukken hebben verweerders bij de bepaling van de inzichten en bij de invulling van de beoordelingsvrijheid op het punt van geluid hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (verder te noemen: Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk wordt voor bestaande inrichtingen onder meer aanbevolen om bij herziening van vergunningen de richtwaarden volgens tabel 4 steeds opnieuw te toetsen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

Uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak kan worden afgeleid dat de omgeving van de inrichting dient te worden gekwalificeerd als een landelijke omgeving. De in genoemde tabel 4 aanbevolen richtwaarden voor een dergelijke omgeving zijn 40, 35 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze waarden stemmen overeen met de in voorschrift 1.19 opgenomen geluidgrenswaarden. Nu verweerders conform de Handreiking hebben aangesloten bij de genoemde richtwaarden, kan niet met vrucht worden gesteld dat zij ten onrechte geen aansluiting hebben gezocht bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse. Nu de opgelegde grenswaarde voor het langetijdgemiddeld beoordelingsniveau lager is dan het blijkens de stukken ter plaatse heersende L95, dat 42 dB(A) bedraagt, kan evenmin worden gesteld dat verweerders hebben gehandeld in strijd met het ALARA-beginsel. Het beroep van appellanten faalt derhalve in zoverre.

2.5. Appellanten stellen dat het vergunde maximale geluidniveau omlaag kan, althans dat het maximale geluidniveau dat in de vergunning is opgenomen, onvoldoende is gemotiveerd.

2.5.1. In voorschrift 1.20 is bepaald dat het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten – niet zijnde explosies -, gemeten in de meterstand "fast" ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden, alsmede op de referentiepunten 3 tot en met 5 niet meer mag bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de in voorschrift 1.20 opgenomen piekgeluidgrenswaarden overeenkomen met de piekgeluidgrenswaarden die in de door verweerders gehanteerde Handreiking nog als aanvaardbaar worden aangemerkt. Gelet hierop hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 1.20 voldoende bescherming biedt tegen geluidhinder ter plaatse van de in dat voorschrift genoemde woningen en referentiepunten. De omstandigheid dat uit het akoestisch rapport van […] milieuadvies van 14 december 2000 blijkt dat op deze woningen en referentiepunten naar verwachting lagere piekwaarden zullen optreden, doet hier niet aan af. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6. Appellanten stellen dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd waarom zij de Circulaire schietlawaai (hierna te noemen: de Circulaire) hebben gehanteerd bij de beoordeling van de aanvraag op het punt van geluid. Voorts zijn zij van mening dat het hanteren van een maximale geluidnorm van 70 dB(A) voor explosies onvoldoende rekening houdt met de hinderbeleving van omwonenden.

2.6.1. Ingevolge voorschrift 1.21 mag het Lknal veroorzaakt door de in de inrichting veroorzaakte explosies, gemeten in de meterstand "impuls", ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden, alsmede op de referentiepunten 3 tot en met 5 niet meer bedragen dan 70 dB(A, imp) gedurende de dagperiode.

2.6.2. Verweerders stellen dat zij de Circulaire alleen hebben gehanteerd voor wat het gebruik van de grootheid Lknal betreft. Volgens hen is dit gebeurd omdat binnen de inrichting explosies plaatsvinden die een impulsachtig karakter hebben en qua aard van geluid vergelijkbaar zijn met het geluid van schietbanen, waarvoor de genoemde circulaire bedoeld is. Dat explosies worden gemeten in de impuls-stand van de geluidniveaumeter is volgens verweerders in het belang van appellanten, omdat de verkregen niveaus lager zouden uitvallen in de meterstand "fast".

2.6.3. De Afdeling overweegt dat de Circulaire blijkens de aanbiedingsbrief bedoeld is voor de beoordeling van aanvragen tot het oprichten of in werking hebben van schietinrichtingen bestemd of mede bestemd voor recreatief gebruik. Verder is daarin vermeld dat militaire en politieschietbanen van de toepasselijkheid zijn uitgezonderd vanwege de aspecten landsverdediging en openbare veiligheid waarmee volgens de Circulaire bij de toelaatbaarheid van die schietbanen rekening moet worden gehouden. Hoewel de onderhavige inrichting geen schietbaan voor recreatief gebruik betreft, moet gelet op het deskundigenbericht worden aangenomen dat de aard van het geluid van de in de inrichting voorkomende explosies vergelijkbaar is met dat van schietgeluid. Door de zeer snelle stijging van het geluidniveau zal een dergelijke explosie, net als schietgeluid, beter kunnen worden geregistreerd door een geluidmeter in de stand "impuls" dan een geluidmeter in de stand "fast". Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling het niet in strijd met het recht dat verweerders de Circulaire hebben gehanteerd voor wat de enkelvoudige knal (Lknal) betreft.

Met betrekking tot de hoogte van de in voorschrift 1.21 gestelde maximale toegestane waarde voor Lknal overweegt de Afdeling dat op grond van grafiek 1 van de Circulaire een etmaalwaarde van 70 dB(A) nog toelaatbaar wordt geacht bij een, zoals hier het geval is, L95 van 42 dB(A). Gelet hierop hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 1.21 voldoende bescherming biedt tegen geluidhinder als gevolg van explosies ter plaatse van de in dat voorschrift genoemde woningen en referentiepunten. De omstandigheid dat uit het akoestisch rapport van […] milieuadvies van 14 december 2000 blijkt dat op de woningen [locatie 1] en [locatie 2] naar verwachting lagere piekwaarden zullen optreden, doet hier niet aan af. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.7. Appellanten stellen dat ten onrechte is nagelaten immissiemetingen te verrichten bij bedrijfsrepresentatieve omstandigheden, bij de juiste windrichting en na volledige realisatie van de nieuwe tank.

2.7.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de te meten niveaus ter plaatse van woningen van derden in dit geval dermate laag zijn dat mag worden verwacht dat een correcte meting moeilijk uitvoerbaar is. Volgens verweerders is er geen reden om te twijfelen aan de gevolgde methode, te weten het berekenen van de immissieniveaus.

2.7.2. In het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van […] adviesbureau van 14 december 2000 zijn de immissieniveaus ter plaatse van woningen bepaald door eerst met metingen het geluidvermogen van de relevante bronnen te bepalen en vervolgens met berekeningen de immissieniveaus te bepalen. Zowel de berekeningen als de metingen zijn blijkens de stukken verricht volgens methodes zoals vermeld in de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999. Mede gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders voor wat betreft de immissieniveaus niet hadden mogen uitgaan van het genoemde akoestische rapport en de immissieniveaus alsnog door middel van metingen hadden moeten vaststellen.

2.8. Appellanten stellen dat metingen verricht hadden moeten worden naar de geluidbelasting veroorzaakt door grotere springladingen. In dat verband stellen zij dat het onjuist is dat voorschrift 1.27 toestaat om met grotere hoeveelheden springstof te werken zonder dat vooraf bekend is wat de gevolgen zijn.

2.8.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat metingen naar het verrichten van explosies met een springstofhoeveelheid van meer dan 55 kg vóór de onderhavige vergunningverlening niet mogelijk zijn, omdat dergelijke explosies niet zijn vergund. Derhalve hebben verweerders in de vergunning een traject opgenomen waarin proefondervindelijk de hoeveelheid springstof wordt vermeerderd.

2.8.2. Ingevolge voorschrift 1.27 dient, indien een hoeveelheid springstof wordt ingezet waarvan nog niet eerder door middel van een meting is aangetoond (en door het bevoegd gezag is goedgekeurd) dat aan het gestelde in de voorschriften 1.21 en 1.25 wordt voldaan, door middel van metingen te worden aangetoond dat de explosie ten gevolge van deze hoeveelheid voldoet aan de voorschriften 1.21 en 1.25. Het gestelde in de eerste volzin geldt alleen, indien uit eerdere verrichte metingen bij kleinere hoeveelheden blijkt dat bij de inzet van grotere hoeveelheden dan die waar reeds bij is gemeten, de gemeten niveaus hoger zijn dan bij de kleinere hoeveelheden. Van de metingen dient een verslag te worden gemaakt, dat ter goedkeuring aan het bevoegd gezag dient te worden overgelegd. Indien uit het meetverslag blijkt dat niet voldaan wordt aan het gestelde in de voorschriften 1.21 en 1.25 dient door vergunninghoudster een plan van aanpak te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Uit het plan van aanpak moet blijken op welke wijze voldaan kan worden aan de normstelling. Het plan dient door een deskundige te zijn opgesteld en behoeft goedkeuring van het bevoegd gezag. Niet eerder dan nadat de in het plan van aanpak beschreven maatregelen zijn uitgevoerd, ten einde te kunnen voldoen aan de normstelling, mag die hoeveelheid springstof waar de overschrijding bij is geconstateerd of een grotere worden toegepast. De in het plan van aanpak beschreven maatregelen dienen na uitvoering te worden gecontroleerd op het voldoen aan het gestelde in de voorschriften 1.21 en 1.25 door middel van een meting, waarbij met de meting omgegaan moet worden zoals verwoord in de derde tot en met de zesde volzin van het voorschrift.

2.8.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het explosief-lassen een uniek procédé is, waardoor geen gegevens bekend zijn over geluid- en trillingemissies bij het gebruik van grotere hoeveelheden springstof dan 55 kg. Gelet hierop en nu het gebruikmaken van grotere hoeveelheden springstof dan 55 kg vóór inwerkingtreding van de onderhavige vergunning niet was toegestaan, overweegt de Afdeling dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voorschrift 1.27 ter plaatse van de in de voorschriften 1.21 en 1.25 genoemde woningen, referentiepunten en geluidgevoelige ruimten van woningen van derden voldoende bescherming biedt tegen geluid- en trillinghinder door het gebruik van grotere hoeveelheden springstof. Zulks geldt evenwel niet voor de tweede volzin van dit voorschrift, dat erop neerkomt dat vergunninghoudster van de in het eerste volzin geformuleerde meetverplichting is ontheven nadat na twee metingen met steeds grotere hoeveelheden springstof is geconstateerd dat verhoging van de hoeveelheid springstof niet leidt tot hogere geluid- of trillingniveaus. Gegeven de onbekendheid van de gevolgen van explosies met grotere hoeveelheden springstof dan 55 kg hebben verweerders onvoldoende gemotiveerd waarom na twee metingen die geen verhoging van geluid- en trillingniveaus tot gevolg zouden hebben, niet meer gemeten zou hoeven te worden. De omstandigheid dat, zoals ter zitting is aangegeven, verweerders het vermoeden hebben dat de gevolgen van explosies met 200 kg springstof niet groter zijn dan die van explosies met 55 kg springstof en daarom van vergunninghoudster niet te veel willen vergen, kan in ieder geval niet als een deugdelijke motivering gelden voor de in de tweede volzin opgenomen uitzondering op de meetverplichting. Het besluit berust in zoverre derhalve in strijd met artikel 3:46 niet op een deugdelijke motivering. Het beroep treft in zoverre doel.

2.9. Appellanten stellen dat verweerders de vergunning hadden moeten weigeren voorzover het het waterbassin betreft.

2.9.1. Verweerders zijn van mening dat gebruik van het vormbassin een bestaand recht is. Voorschrift 1.27a biedt volgens hen voldoende bescherming. Er is volgens verweerders geen reden om de vergunning op dit onderdeel bij voorbaat te weigeren, indien na eventueel aanvullende maatregelen aan het vormbassin aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan.

2.9.2. Ingevolge voorschrift 1.27a geldt voorschrift 1.27 tevens voor het in gebruik nemen van het waterbassin ten behoeve van het explosie-vormen.

2.9.3. Uit het deskundigenbericht blijkt dat ook over het vormen van metalen met grotere hoeveelheden springstoffen weinig gegevens bekend zijn. Gelet hierop en nu het gebruik maken van grotere hoeveelheden springstof dan 55 kg vóór inwerkingtreding van de onderhavige vergunning niet was toegestaan, overweegt de Afdeling dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voorschrift 1.27a ter plaatse van de in de voorschriften 1.21 en 1.25 genoemde woningen, referentiepunten en geluidgevoelige ruimten van woningen van derden voldoende bescherming biedt tegen geluid- en trillinghinder door het gebruik van grotere hoeveelheden springstof bij het explosief-vormen. De Afdeling wijst daarbij wel op hetgeen hierboven is overwogen over de tweede volzin van voorschrift 1.27, hetgeen mutatis mutandis geldt voor het vormen van metalen in het waterbassin. Het beroep treft in zoverre doel.

2.10. Appellanten stellen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het geluid veroorzaakt door vervoermiddelen van bezoekers.

2.10.1. Uit het eerder genoemde, bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van [...] milieuadvies van 14 december 2000 blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), zoals genoemd in de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer", niet wordt overschreden bij de woning die het dichtst bij de uitrit van de inrichting is gelegen. Anders dan appellanten stellen is er derhalve wel onderzoek gedaan naar het geluid afkomstig van bezoekende voertuigen. Nu niet is gebleken dat het genoemde akoestisch rapport op dit punt onjuist zou zijn, ziet de Afdeling in het door appellanten gestelde geen aanleiding het beroep in zoverre gegrond te verklaren.

2.11. Appellanten stellen dat het onderzoeksrapport van DGMR naar de door de inrichting voort te brengen trillingen onvoldoende informatie bevat voor een beoordeling van de aanvraag op dit punt. Bij de aan dit rapport ten grondslag liggende berekeningen zou van onjuiste afstanden tot de omliggende woningen zijn uitgegaan.

2.11.1. Verweerders stellen dat [appellant 1] aanvankelijk geen medewerking heeft verleend aan trillingmetingen in zijn woning, waardoor uiteindelijk metingen buiten de woning zijn verricht die geëxtrapoleerd zijn. Uit later in het kader van klachtenbehandeling in de woningen [locatie 1] en [locatie 2] uitgevoerde trillingmetingen zou zijn gebleken dat de feitelijk optredende niveaus lager zijn dan die werden voorspeld door de adviseur van vergunninghoudster. Tevens zou hieruit blijken dat bij hoeveelheden tot 55 kg aan de vigerende normstelling wordt voldaan.

2.11.2. Uit het deskundigenbericht blijkt dat nu de trillingmetingen, die ten grondslag liggen aan het bij de aanvraag gevoegde rapport van DGMR van 11 december 2000, niet zijn verricht ter plaatse van woningen, de gevonden meetwaarden van beperkte betekenis zijn voor de beschrijving van de trillinghinder die door personen kan worden ondervonden in de dichtst bij de inrichting gelegen woningen. Voorts kan volgens het deskundigenbericht uit de rapportage van [deskundige 1] en [deskundige 2] van 21 maart 2002, die is opgesteld naar aanleiding van de op 19 en 21 februari 2002 in opdracht van de gemeente Rucphen verrichte metingen in de woningen [locatie 1] en [locatie 2], niet de conclusie worden getrokken dat aan de gestelde grenswaarden kan worden voldaan, omdat daarin niet de optredende waarde van Vper is vermeld. Nu in het deskundigenbericht evenwel voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze waarde bij een explosie van 55 kg niet zal worden overschreden en derhalve aan de in voorschrift 1.25 gestelde grenswaarden zal kunnen worden voldaan, ziet de Afdeling in deze beroepsgrond geen aanleiding het bestreden te vernietigen.

2.12. Appellanten stellen dat verweerders bij de beoordeling van de aanvraag op het punt van risico en geluid de loods van de [appellant 1] ten onrechte niet hebben aangemerkt als een gevoelig object. Volgens hen wordt deze loods vele uren per jaar als werkplaats gebruikt.

2.12.1. Verweerders stellen met betrekking tot de risico-analyse dat de loods buiten de individueel risico contour van 10-6 is gelegen, waarbuiten alle functies zijn toegestaan. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat bedrijfsgebouwen geen geluidgevoelige bestemmingen zijn en daarom niet voor bescherming in aanmerking komen.

2.12.2. Uit de stukken, waaronder de kaart van adviesbureau Wematech B.V. van 9 maart 2001, waarop de individuele risicocontouren zijn ingetekend, blijkt dat de betreffende loods buiten de individuele risicocontour van 10-6 is gelegen. Bij het nemen van het bestreden besluit hadden verweerders de beschikking over deze kaart, zodat niet met vrucht kan worden gesteld dat zij de betreffende loods niet als een risicogevoelig object hebben beschouwd. Uit hun reactie in het verweerschrift blijkt evenmin dat verweerders de loods niet als risicogevoelig object hebben beschouwd. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.12.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben verweerders bij de beoordeling van de aanvraag op het punt van geluid de loods van [appellant 1] niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. De Afdeling merkt op dat een bij een bedrijf behorende loods in zijn algemeenheid niet als geluidgevoelige bestemming is aan te merken. Dit is slechts anders, indien vast staat dat in een dergelijke loods gedurende een

langere periode van de dag personen verblijven, die een zekere bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder behoeven. Ter zitting is onweersproken door [appellant 1] gesteld dat in de onderhavige loods boomkwekerijproducten worden verwerkt. Volgens hem zijn in ieder geval gedurende drie maanden, afhankelijk van het seizoen, meerdere mensen iedere dag van 's ochtends tot 's avonds werkzaam in deze loods. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling niet met vrucht worden gesteld dat de loods van [appellant 1] geen geluidgevoelig object is. Verweerders hebben in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten. Het beroep treft in zoverre doel.

Het vorenstaande brengt naar het oordeel van de Afdeling overigens niet automatisch met zich, dat in een dergelijke loods verblijvende personen dezelfde bescherming dienen te krijgen als in het geval het een woning of een andere geluidgevoelige bestemming betreft. In het thans voorliggende geval dienen verweerders dan ook te bezien of, en zo ja in welke mate, de in de onderhavige loods verblijvende personen bescherming tegen geluidhinder behoeven.

2.13. Appellanten stellen dat de vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen hinder vanwege verfspuitwerkzaamheden.

2.13.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat wat de potentiële geurhinder door verfspuitactiviteiten aansluiting is gezocht bij de Bijgestelde Richtlijn met betrekking tot geurhinder bij autospuiterijen. Nu uit de in de vergunning vermelde gegevens blijkt dat per jaar hooguit 250 uur wordt gespoten en de dichtstbijgelegen woning op een afstand van 125 tot 130 meter is gelegen achten verweerders nadere voorschriften niet noodzakelijk. Hoewel in beginsel bepaald zou moeten worden dat de afgezogen dampen 1 meter bovendaks worden afgevoerd, is volgens verweerders sprake van een voldoende waarborg voor het voorkomen van overlast, gezien het beperkte aantal spuituren en het volume in de hal in combinatie met natuurlijke ventilatie.

2.13.2. Blijkens het vorenstaande hebben verweerders bij de bepaling van de inzichten en bij de invulling van de beoordelingsvrijheid op dit punt de Bijgestelde Richtlijn met betrekking tot geurhinder bij autospuiterijen (hierna te noemen: de Bijgestelde Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Deze wijze van invulling van de beoordelingsvrijheid is niet in strijd met het recht.

Evenwel zijn verweerders er bij de beoordeling van dit aspect van uitgegaan dat de dichtstbijgelegen geurgevoelige bestemming een woning betreft die net buiten de in de Bijgestelde Richtlijn genoemde grens van 125 meter is gelegen. Nu, zoals uit het vorenstaande is gebleken, in de dichterbij gelegen loods van [appellant 1] gedurende een langere periode van de dag personen verblijven, kan niet worden volgehouden dat binnen 125 meter geen geurgevoelige bestemmingen zijn gelegen. In zoverre hebben verweerders in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten. Het beroep treft ook in zoverre doel.

2.14. Aangezien het besluit van verweerders, gelet op het voorgaande, niet in stand kan blijven op onderdelen die bepalend moeten worden geacht voor de vraag of in casu vergunning kan worden verleend, dient dit besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.15. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.16. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Rucphen van 18 december 2001;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Rucphen in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.049,69, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Rucphen te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Rucphen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

288.