Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
15-01-2003
Zaaknummer
200200623/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/140 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Ruimtelijke ordening 2003/3824
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200623/1.

Datum uitspraak: 15 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 1991 heeft de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) een verzoek van appellant om schadevergoeding op de voet artikel 19 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing juncto artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Bij uitspraak van 24 mei 1993, no. G09.91.0034, heeft de toenmalige Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State, beslissende op een daartegen door appellant op grond van het toenmalige artikel 49, tweede lid, van de WRO bij haar ingesteld beroep, dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 17 januari 1994 heeft de raad appellant vervolgens een schadevergoeding toegekend van ƒ 104.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente sinds 19 november 1988.

Bij besluit van 30 mei 1994 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 januari 1997 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft de raad het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Dit besluit, het advies van de commissie planschadevergoeding Eindhoven van 7 april 1998 en het advies van commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 31 augustus 2000 zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2001, verzonden op 19 december 2001, heeft de rechtbank het tegen dat besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 april 2002 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en [architect], en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.A. Sluiter, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing juncto artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kent de gemeenteraad, indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een leefmilieuverordening schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Appellant heeft bij brief van 14 augustus 1990 verzocht om vergoeding van schade welke hij stelt te lijden ten gevolge van de bepalingen van de leefmilieuverordening voor het Stratumseind van de gemeente Eindhoven. De facto gaat het om het gebruik van een voormalige werkhal, door partijen aangeduid als “ruimte H”, en wel voor wat betreft 314 m² daarvan als uitbreiding van een discotheek en 482 m² als open binnenruimte.

2.3. Na voormelde uitspraak van de voormalige Afdeling voor de geschillen van bestuur van 24 mei 1993, no. G09.91.0034, BR 1994/68, heeft de raad appellant een schadevergoeding toegekend van ƒ 104.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente sinds 19 november 1988. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2001, waarbij de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van de raad van 9 oktober 2000 tot handhaving van dat besluit ongegrond heeft verklaard. Voor de overwegingen van de rechtbank en de gronden van het hoger beroep verwijst de Afdeling naar de aangehechte stukken.

2.4. Het gebruik van de open binnenruimte als terras.

Voor wat betreft dit gebruik heeft appellant zich beroepen op een brief van de commandant van de brandweer van de gemeente Eindhoven van 15 juli 1988. In die brief schrijft de commandant, voor zover hier van belang, dat het noodzakelijk is vooraf notarieel vast te leggen dat de eigenaar casu quo de exploitant van het pand Stratumsedijk [no.] genegen is om de binnenplaats uitsluitend en alleen te laten gebruiken voor ontvluchting, als terras en als toegangsweg tot het magazijn, de garageboxen en de beide parkeerplaatsen. De overweging van de rechtbank dat de strekking van deze brief is de binnenplaats uitsluitend en alleen te laten gebruiken voor het zonder belemmeringen openhouden van vluchtwegen voor bezoekers van de discotheek is gezien evenweergegeven bewoordingen onjuist. Een en ander betekent echter niet dat met die brief gegeven is dat de binnenplaats als terras mocht worden gebruikt. De commandant van de brandweer heeft voor wat betreft het aspect van de brandveiligheid een weliswaar belangrijke, maar uitsluitend adviserende taak; hij heeft geen bevoegdheid tot het nemen van besluiten ten aanzien van het gebruik van de open binnenruimte als terras. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat voor het gemeentebestuur terzake niet alleen het aspect van de brandveiligheid een rol speelt, maar ook dat appellant niet kan voldoen aan de normen van voor de directe omgeving toelaatbare geluidhinder. Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk geworden dat burgemeester en wethouders van Eindhoven een voor het in werking hebben van het terras op grond van de Hinderwet vereiste vergunning, indien door appellant gevraagd, hadden moeten verlenen. De rechtbank is dan ook, zij het op niet geheel juiste gronden, tot het juiste oordeel gekomen dat de raad er terecht van is uitgegaan dat het open gedeelte van ruimte H niet als terras kon worden gebruikt.

2.5. De dakconstructie en de specificatie kostenpost ƒ 180.000,-- ten behoeve van de ruwbouw uitbreiding van de discotheek.

Mede gezien de zich in het dossier bevindende foto’s van de dakconstructie van ruimte H onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat de raad genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de dakconstructie boven de gehele ruimte H verwijderd zou moeten worden. De Afdeling oordeelt echter anders waar het gaat om de hoogte van de kostenpost ten behoeve van de ruwbouw van de uitbreiding van de discotheek. Tegenover de rapportage van ir. J.A.M. De Haan (hierna: De Haan), die de kosten van de ruwbouw min of meer globaal heeft getaxeerd op ƒ 180.000,--, en op wie de raad zich heeft verlaten, heeft appellant een rapport overgelegd van ir. A.A.J. Verheijden (hierna: Verheijden) van 24 juli 1998, volgens hetwelk met een veel minder kostbare ruwbouw kan worden volstaan. In hoger beroep heeft Verheijden deze kostenbegroting gespecificeerd en uitvoerig toegelicht. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep beslist de Afdeling ter definitieve beslechting van dit geschil, rekening houdend met de verschillen in de rapportages van De Haan en Verheijden, dat de kosten van de ruwbouw van de discotheek voor wat betreft de schadeberekening dienen te worden gesteld op ƒ 105.000,00/€ 47.646,92. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.

2.6. De maximale huuropbrengst en de verdeling van de verbouwingskosten.

Nu bij 2.4. is geoordeeld dat de raad er terecht van is uitgegaan dat het open gedeelte van ruimte H niet als terras kon worden gebruikt, en de huurprijs van dat gedeelte voor gebruik anders dan als terras niet in het geding is, gaat het thans om de hoogte van de huuropbrengst van de uitbreiding van het discotheekgedeelte. De Afdeling stelt dienaangaande voorop dat, voor zover appellant zich beroept op een verklaring van [exploitant van de reeds aanwezige discotheek], met betrekking tot de door hem aan appellant voor de uitbreiding van de discotheek per m² te betalen huurprijs, aan deze verklaring in dit geschil geen betekenis toekomt. Immers, met het in rechte onaantastbaar worden van de uitspraak van de rechtbank van 9 januari 1997 is de abstracte schadeberekening in dit geval een gegeven.

In het kader van deze schadeberekening is de huuropbrengst van gemeentewege getaxeerd door [makelaar-taxateur in onroerende goederen], kantoorhoudend te Eindhoven. Deze heeft de huuropbrengst van de uitbreiding van het discotheekgedeelte gewaardeerd op ƒ 140,-- per m². De raad is bij de berekening van de voor vergoeding in aanmerking komende schade van dat bedrag uitgegaan. Appellant heeft daar een brief van DTZ Zadelhoff (hierna: DTZ) van 16 augustus 1993 tegenovergesteld, die van een huurprijs voor het discotheekgedeelte uitgaat van ƒ 175,-- per m². Voorts heeft hij vraagtekens geplaatst bij de gang van zaken met betrekking tot het door [makelaar-taxateur] uitgebrachte taxatierapport.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant met de brief van DTZ niet overtuigend aangetoond dat de huurprijs zoals die is getaxeerd door [makelaar-taxateur] onjuist is. Daarbij is in aanmerking genomen dat DTZ in vermelde brief ervan uitgaat dat op het betreffende onroerend goed een horecabestemming zou rusten en het verhuurd zou zijn als ca. 400 m² discotheek, ca. 300 m² overdekt terras en ca. 400 m² snooker/poolzaal. Die aanname is, in ieder geval wat betreft het gebruik als terras, onjuist. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de gang van zaken met betrekking tot het uitbrengen door [makelaar-taxateur] van zijn rapport, ziet de Afdeling, wat daar overigens van zij, geen grond voor het oordeel dat de taxatie van de huuropbrengst op ƒ 140,-- per m² onjuist is. Wat betreft de kwestie van de verdeling van de verbouwingskosten tussen appellant en de mogelijke huurder overweegt de Afdeling dat nu de kosten van de ruwbouw op ƒ 105.000,-- moeten worden gesteld, deze kwestie in hoger beroep geen betekenis heeft en derhalve hier kan worden gelaten voor wat zij is.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigen. De raad dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.8. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 december 2001, AWB 00/7488;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 9 oktober 2000;

IV. draagt de raad van de gemeente Eindhoven op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Eindhoven in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Eindhoven te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Eindhoven aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 165,00 onderscheidenlijk ƒ 225,00/€ 102,10), derhalve in totaal € 267,10 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.R. Winter, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Winter w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003

66-55.