Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
200104941/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 41
Wet geluidhinder 59
Wet geluidhinder 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 54K
Milieurecht Totaal 2003/2235
JM 2003/81 met annotatie van Wiggers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104941/1.

Datum uitspraak: 8 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de Regionaal Inspecteur Milieuhygiëne Noord te Groningen, en

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2001, kenmerk 460248, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan Motorclub Ooststellingwerf een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrosscircuit aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Oldeberkoop. Dit besluit is op 27 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant sub 1 bij brief van 8 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2001, en hebben appellanten sub 2 bij brief van 6 oktober 2001, bij de Afdeling ingekomen op 10 oktober 2001, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2002, waar appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en verweerders, vertegenwoordigd door T. Miedema en I. Wulffelé, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord Motorclub Ooststellingwerf, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De inrichting waarop het bestreden besluit betrekking heeft betreft een motorcrosscircuit waarop trainingen en wedstrijden voor crossmotoren worden gehouden. Bij koninklijk besluit van 20 mei 1992 is het terrein waarop de inrichting is gelegen op grond van artikel 59, eerste lid, van de Wet geluidhinder, zoals dat artikel destijds luidde, gezoneerd. Bij besluit van 26 februari 1998 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) met toepassing van artikel 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder voor de gevels van de woningen gelegen in de geluidszone rond het industrieterrein “Motorcrossterrein Prikkedam”, ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein (hierna te noemen: de MTG-waarden) vastgesteld. De hiertegen ingebrachte bezwaren heeft de minister bij besluit van 10 september 1998 ongegrond verklaard.

Voor de inrichting is eerder bij besluit van 4 juli 1996 een oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. Bij uitspraak van 20 december 1999, no. E03.96.1136, is dit besluit door de Afdeling vernietigd.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 1 heeft de grond inzake in de omgeving gelegen natuurterreinen niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 1 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieu-effectrapport had moeten worden gemaakt. Naar hun mening zijn verweerders bij de beoordeling of een milieu-effectrapport nodig is ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat niet het gehele terrein is bestemd als motorcrossterrein. Verweerders hebben zich op het onjuiste uitgangspunt, te weten het huidige gebruik van het terrein, gebaseerd, aldus appellanten sub 2. Zij zijn van mening dat een milieu-effectrapport toegevoegde waarde heeft.

2.3.1. In artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) worden als activiteiten bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In categorie 43 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit is aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan de procedure bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8d van de wet van toepassing is, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een motorcrossterrein.

Ingevolge artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet degene die een activiteit onderneemt, aangewezen krachtens artikel 7.4, indien hij voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een krachtens dat artikel aangewezen besluit, dat voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden onder bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid verstaan de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben, gezien:

a. de kenmerken van de activiteit;

b. de plaats waar de activiteit wordt verricht;

c. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse;

d. de kenmerken van die gevolgen.

Ingevolge artikel 7.27, derde lid, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag een beslissing omtrent een activiteit die in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.4 is aangewezen en ten aanzien waarvan geen provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, van toepassing is, niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.8a tot en met 7.8d.

Ingevolge artikel 7.28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer laat het bevoegd gezag de aanvraag buiten behandeling indien een besluit als bedoeld in artikel 7.8a krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen en bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de beslissing krachtens artikel 7.8b, eerste lid, inhoudende dat geen milieu-effectrapport behoeft te worden gemaakt.

2.3.2. Bij besluit van 3 oktober 2000, kenmerk 386651, hebben verweerders geoordeeld dat voor de activiteit zoals omschreven in de aanvraag om vergunning voor motorcrossterrein Prikkedam, geen milieu-effectrapport behoeft te worden gemaakt. Aan deze beoordeling is voorafgegaan een door de Commissie voor de milieu-effectrapportage (hierna: de Commissie) op 14 september 2000 aan verweerders uitgebracht advies. In dat advies concludeerde de Commissie dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot dermate nadelige milieugevolgen dat een milieu-effectrapport toegevoegde waarde zou hebben. De ecologische potentie van het gebied is naar de mening van de Commissie weliswaar hoog, doch zij heeft daarin geen aanleiding gezien voor het oordeel dat ter voorbereiding van de milieuvergunning een milieu-effectrapport nodig is.

2.3.3. De Afdeling overweegt dat de Commissie bij haar advies heeft betrokken de vigerende bestemmingsplannen voor het gebied. Ook overigens is niet gebleken dat de Commissie van onjuiste gegevens is uitgegaan. Mede gelet op het advies van de Commissie hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen milieu-effectrapport nodig is. Het beroep van appellanten sub 2 slaagt in zoverre niet.

2.4. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten en in werking te hebben.

Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voorzover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit artikel 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat verweerders bij de beoordeling van de te verwachten geluidsbelasting ten onrechte zijn uitgegaan van de Handleiding uit 1981 en niet van de Handleiding uit 1999.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerders voor de beoordeling van geluidhinder gebruik hebben gemaakt van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, zij het dat zij bij de vaststelling van de grenswaarden voor het piekniveau zijn uitgegaan van de circulaire Industrielawaai. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet in strijd met het recht dat zij daarbij voor het meten en berekenen van de geluidsbelasting de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1981 (IL-HR-13-01) hebben gehanteerd. Dit beroepsonderdeel slaagt daarom niet.

2.6. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerders er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de wedstrijden op het circuit niet behoren tot de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting. Hierdoor bieden de vergunningvoorschriften onvoldoende bescherming tegen de door die wedstrijden veroorzaakte geluidhinder.

2.6.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat tot de representatieve bedrijfssituatie moeten worden gerekend die activiteiten binnen de inrichting die vaker voorkomen dan twaalf keer per jaar. Omdat de inrichting gedurende maximaal 7 dagen per jaar is opengesteld voor wedstrijden, maken de wedstrijden volgens verweerders geen deel uit van de representatieve bedrijfssituatie en geldt hiervoor niet de gangbare normstelling. Zij hebben verwezen naar het besluit tot vaststelling van de MTG-waarden, waaruit blijkt dat ook de minister van mening is dat de wedstrijden in dit geval geen onderdeel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie van het motorcrossterrein.

2.6.1.1. Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning. Een zodanige maatregel wordt slechts vastgesteld met betrekking tot categorieën van inrichtingen ten aanzien waarvan dat geboden is gezien de aard en de omvang van de gevolgen die die inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel met het oog op de doelmatige bescherming van het milieu of met betrekking tot categorieën van gevallen waarin dat geboden is met het oog op het algemeen belang.

Ingevolge artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I, onder – onder meer – 19.2.

Onder 19.2 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot categorie 19.1, onder g, 2°, voorzover het betreft terreinen, geen openbare weg zijnde, die bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en die daartoe acht uren per week of meer opengesteld zijn.

Onder 19.3 van genoemde bijlage is bepaald dat voor de toepassing van onderdeel 19.2 buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld, indien dit een gevolg is van ruimere openingstijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, met het oog op het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden.

2.6.1.2. Blijkens de stukken wordt op motorcrossterrein Prikkedam doorgaans gedurende zes uren per week, op zondag en woensdag, getraind. Per jaar vinden maximaal zes wedstrijden plaats op zondag of op zaterdag en zondag, gedurende in totaal zeven dagen. De periode tussen de wedstrijden beslaat minimaal drie weekenden.

Hieruit volgt dat verweerders, en niet burgemeester en wethouders, bevoegd zijn op de vergunningaanvraag te beslissen, omdat meer dan drie weekenden per jaar wedstrijden worden gehouden, waardoor het terrein in die weken meer dan acht uur is opengesteld. Om diezelfde reden is het motorcrossterrein een inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder en dient het te zijn voorzien van een geluidszone.

2.6.1.3. De Afdeling stelt voorop dat, anders dan verweerders kennelijk menen, de enkele omstandigheid dat een activiteit minder dan 12 maal per jaar voorkomt, niet zonder meer betekent dat die activiteit niet behoort tot de representatieve bedrijfssituatie van een inrichting. Activiteiten die minder vaak voorkomen kunnen in bepaalde gevallen op grond van hun aard toch deel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie.

De Afdeling overweegt dat indien bepaalde bedrijfssituaties in de considerans van een besluit tot vaststelling van MTG-waarden zijn aangemerkt als incidenteel, in die zin dat zij niet behoren tot de representatieve bedrijfssituatie van een inrichting, het bevoegde gezag dat oordeel in het algemeen kan overnemen bij de beslissing op een aanvraag om vergunning voor de betrokken inrichting. In dit geval echter is de Afdeling van oordeel dat de minister niet kon worden gevolgd in zijn in de considerans van het besluit tot vaststelling van de MTG-waarden vermelde opvatting dat de wedstrijden geen deel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie van motorcrossterrein Prikkedam. Zonder de wedstrijden zou de inrichting niet onder categorie 19.2 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer vallen. De wetgever heeft in een situatie als deze, waarin het motorcrossterrein minder dan acht uren per week is opengesteld voor recreatieve doeleinden, de wedstrijden, die gedurende meer dan drie weekenden per jaar plaatsvinden, bepalend geacht voor het toedelen van de bevoegdheid om op de vergunningaanvraag te beslissen aan gedeputeerde staten en voor de verplichting een geluidszone vast te stellen. Daaruit moet worden afgeleid dat deze wedstrijden volgens de wetgever behoren tot de representatieve bedrijfssituatie van de onderhavige inrichting en dat het milieu dient te worden beschermd tegen de gevolgen van met name deze wedstrijden. De opvatting van de minister is in strijd met de bedoeling van de wetgever. Verweerders hebben de wedstrijden dan ook ten onrechte aangemerkt als incidentele activiteiten die geen deel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting.

2.6.2. In voorschrift F.4 zijn grenswaarden opgenomen voor het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting op een wedstrijddag of een trainingsdag ten behoeve van een wedstrijd in de dagperiode (van 07.00 tot 19.00 uur), inclusief een toeslag van 5 dB(A) voor tonaal geluid. De beoordelingspunten bevinden zich bij tien woningen, waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld variërend van 54 dB(A) tot 72 dB(A).

In voorschrift F.5 zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidsniveau (Lmax) veroorzaakt door de inrichting op een wedstrijddag of een trainingsdag ten behoeve van een wedstrijd tussen 07.00 uur en 19.00 uur. De beoordelingspunten bevinden zich bij tien woningen, waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld variërend van 70 dB(A) tot 81 dB(A).

2.6.2.1. Nu de wedstrijden behoren tot de representatieve bedrijfssituatie van motorcrossterrein Prikkedam gelden hiervoor de vastgestelde MTG-waarden en geldt in beginsel daarvoor ook het door verweerders bij de invulling van hun beoordelingsvrijheid gehanteerde toetsingskader voor het aspect geluidhinder.

De in voorschrift F.4 gestelde geluidsgrenswaarden overschrijden op twee grenswaarden na, alle de vastgestelde MTG-waarden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer. De in voorschrift F.4 gestelde grenswaarden voor clubwedstrijden (op zondag) of het weekend Nieuwe Niedorp (op zaterdag en zondag) op de beoordelingspunten bij de woningen [locatie 1] en [locatie 2] (respectievelijk 54 dB(A) en 55 dB(A)) overschrijden niet de MTG-waarden, maar te dien aanzien moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering, nu daarin is vermeld dat voor wedstrijden niet de gangbare normstelling is gehanteerd. Daarbij merkt de Afdeling op dat in vergunningvoorschrift F.2 de grenswaarde voor het LAeq op een trainingsdag op deze beoordelingspunten op een lager niveau is gesteld, te weten respectievelijk 49 dB(A) en 50 dB(A).

Bij de beoordeling van de hinder die veroorzaakt wordt door het Lmax van de inrichting op trainingsdagen hebben verweerders blijkens het bestreden besluit de circulaire Industrielawaai toegepast. Daarin is vermeld dat als piekwaarde voor de dagperiode geldt 70 dB(A). Deze waarde mag met een maximum van 5 dB worden overschreden in bepaalde in de vergunning aangegeven bedrijfssituaties, dit ter beoordeling van de vergunningverlenende instantie. De meeste grenswaarden die in voorschrift F.5 zijn gesteld overschrijden het maximum van 75 dB(A). Voorts hebben verweerders ook in dit verband gesteld dat niet de gangbare normstelling is gehanteerd en zijn de in vergunningvoorschrift F.3 neergelegde grenswaarden voor een trainingsdag op een lager niveau vastgesteld. Gelet hierop is het bestreden besluit ook in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

2.7. Appellanten hebben verder bezwaar tegen de in voorschrift F.3 gestelde grenswaarden voor het Lmax van de inrichting op trainingsdagen.

2.7.1. De in voorschrift F.3 opgenomen grenswaarden voor het Lmax veroorzaakt door de inrichting op een trainingsdag voor motoren variëren voor de periode van 07.00 uur tot 19.00 uur van 64 dB(A) tot 75 dB(A) en voor de periode van 19.00 uur tot 23.00 uur op woensdag van 1 april tot en met 23 oktober van 59 dB(A) tot 70 dB(A).

2.7.2. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de waarde van 70 dB(A) gedurende de dagperiode bij vier woningen kan worden toegestaan. Onder verwijzing naar de circulaire Industrielawaai achten zij de gestelde grenswaarden aanvaardbaar, aangezien de waarde van 75 dB(A) niet wordt overschreden, de piekwaarden ten hoogste twee dagen per week gedurende drie uren per dag voorkomen en het voorschrijven van aanvullende maatregelen om het piekniveau verder te reduceren door bijvoorbeeld hogere schermen te plaatsen of het terrein te overkappen niet reëel wordt geacht vanwege bezwaren van landschappelijke en financiële aard.

Gegeven het door hen gehanteerde toetsingskader, dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet in strijd is met het recht, hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift F.3 gestelde grenswaarden voor de dagperiode een toereikend beschermingsniveau bieden. De beroepen slagen in zoverre niet.

2.7.3. Volgens de circulaire Industrielawaai geldt voor de avondperiode een maximale piekwaarde van 65 dB(A). In voorschrift F.3 wordt deze waarde bij zes woningen overschreden.

Verweerders zijn van mening dat – analoog aan de waarde in de dagperiode – in de avondperiode de hoogste piekwaarde 70 dB(A) mag bedragen, namelijk een waarde van 5 dB hoger dan voorgesteld als toetsingswaarde in de circulaire Industrielawaai. Zij staan de hogere waarden in dit geval toe, omdat deze geluidsbelasting zich slechts zal voordoen gedurende één uur per week (van 19.00 uur tot 20.00 uur) op ongeveer 20 woensdagavonden in de zomerperiode en aanvullende geluidsreducerende maatregelen niet reëel worden geacht.

De Afdeling stelt vast dat verweerders zijn afgeweken van het door hen gekozen toetsingskader, de circulaire Industrielawaai. Een dergelijke afwijking is alleen mogelijk indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, dat wil zeggen omstandigheden die niet zijn voorzien bij het opstellen van de circulaire. De omstandigheden die verweerders in dit verband hebben genoemd zijn geen bijzondere omstandigheden in deze zin. Door in voorschrift F.3 bij een aantal woningen in de avondperiode een hogere piekbelasting toe te staan dan 65 dB(A), hebben verweerders derhalve gehandeld in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. Dit betekent dat het bestreden besluit, voorzover het de in voorschrift F.3 gestelde grenswaarden voor de avondperiode bij de woningen [locatie 3] en [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8] betreft, voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van appellanten treft in zoverre doel.

2.8. De overige door appellanten sub 2 aangevoerde beroepsgronden met betrekking tot het onderwerp geluid, zijn niet gericht tegen de vergunning, maar hebben betrekking op de naleving daarvan. Zij kunnen om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.9. Appellanten sub 2 hebben zich in het beroepschrift wat het onderwerp luchtkwaliteit betreft beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep slaagt daarom in zoverre niet.

2.10. De beroepen, voorzover ontvankelijk, zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het de voorschriften F.4 en F.5 betreft en voorzover het de in voorschrift F.3 gestelde grenswaarden voor de avondperiode bij de woningen [locatie 3] en [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8] betreft.

2.11. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk, voorzover dat beroep betrekking heeft op de in de omgeving gelegen natuurterreinen;

II. verklaart de beroepen, voorzover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Fryslân van 22 augustus 2001, 460248, voorzover het de voorschriften F.4 en F.5 betreft en voorzover het de in voorschrift F.3 gestelde grenswaarden voor de avondperiode bij de woningen [locatie 3] en [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8] betreft;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Fryslân in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 52,81; het bedrag dient door verweerders te worden betaald aan appellanten sub 2;

V. gelast dat de Provincie Fryslân aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (aan appellant sub 1 € 204,20 en aan appellanten sub 2 € 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Visser

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003

148.