Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
200201431/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003/164 met annotatie van P. van der Ree
Module Ruimtelijke ordening 2003/2773
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201431/1.

Datum uitspraak: 8 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2001 heeft de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam, op voorstel van burgemeester en wethouders, vastgesteld het bestemmingsplan "Herziening voorschriften bestemmingsplannen inzake seksinrichtingen".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 18 december 2001, kenmerk DRGG/ARB/01/9204A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. K.H. May, wethouder van de gemeente, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. drs. J.A. van Haastrecht, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een toevoeging van een algemene gebruiksbepaling aan 23 bestemmingsplannen waardoor het gebruik van gronden en de daarop voorkomende bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting wordt verboden.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring aan het plan onthouden.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Verweerders achten het plan in strijd met het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en hebben goedkeuring aan het plan onthouden.

Zij hebben overwogen dat zich een innerlijke tegenstrijdigheid voordoet tussen de planvoorschriften en de plantoelichting, nu het in de plantoelichting neergelegde uitgangspunt dat de vestiging van seksinrichtingen binnen de gemeentegrenzen tot maximaal één beperkt wordt niet in de planvoorschriften is neergelegd. Deze maken de vestiging van een seksinrichting onmogelijk.

2.4. Appellanten stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben onthouden. Geen noodzaak bestaat tot het opnemen in de planvoorschriften van het uitgangspunt dat de vestiging van seksinrichtingen binnen de gemeentegrenzen tot maximaal één beperkt wordt, nu geen seksinrichting bestaat en geen zicht is op vestiging van een seksinrichting. Zij vrezen dat dit kan leiden tot verzoeken om vergoeding van planschade.

Zij achten het opnemen in de planvoorschriften van een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) en/of een vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 15 WRO niet wenselijk.

2.5. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder bepaling 1, van de planvoorschriften wordt aan de begripsbepalingen van de bestemmingsplannen waarop het plan betrekking heeft, toegevoegd dat onder seksinrichting wordt verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting (lees: seksinrichtingen) worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

De gemeenteraad hanteert blijkens de plantoelichting de vestiging van maximaal één seksinrichting binnen de gemeentegrenzen als uitgangspunt. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder bepaling 2, wordt aan de voorschriften van de bestemmingsplannen waarop het plan betrekking heeft, echter toegevoegd dat het gebruik van de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval als gebruik in strijd met de bestemming of het plan wordt aangemerkt. Gelet hierop hebben verweerders in redelijkheid goedkeuring kunnen onthouden aan het plan. Daaraan kan het bezwaar van appellanten dat het opnemen in de planvoorschriften van een wijzigings- en/of vrijstellingsbevoegdheid niet wenselijk is, niet afdoen.

2.6. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben onthouden aan het plan.

Het beroep van appellanten is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R. Cleton en mr. J.J. Vis, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van Gastel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003

261-418.