Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
200202203/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202203/1.

Datum uitspraak: 8 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1]], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2001 heeft de gemeenteraad van Veghel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 28 augustus 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Aanvulling bestemmingsplan Bedrijventerrein Doornhoek".

Verweerders hebben bij hun besluit van 19 maart 2002, nummer 783474, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 6 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 6 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 13 juni 2002.

Bij brief van 10 september 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van burgemeester en wethouders van Veghel. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2002, waar appellant sub 1, in persoon, vergezeld door mr. J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg ,appellanten sub 2, in de persoon van [gemachtigde] en vertegenwoordigd door mr. P.I.M. Houniet, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Namens de gemeenteraad is ing. M.A. Versleijen verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is opgesteld ter voldoening aan de verplichting ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in verband met de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring door verweerders bij hun besluit van 21 december 1999 aan het op 7 juni 1999 vastgestelde bestemmingsplan “Bedrijventerrein Doornhoek”. Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan enkele onderdelen van de planvoorschriften omdat zij van oordeel waren dat op onvoldoende objectieve wijze was vastgelegd welke bedrijven zich binnen de stankcirkels van buiten het plangebied gelegen bedrijven mochten vestigen.

Het plan voorziet, voor zover te dezen van belang, in aanvulling van de artikelen 5, 7 en 8, alle het eerste lid, van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Doornhoek”, in welke bepalingen zijn opgenomen de doeleindenomschrijving voor respectievelijk de bestemmingen “Bedrijfsdoeleinden, klasse 1 –B1-“, “Bedrijfsdoeleinden, klasse 3 –B3-“ en “Landschapspark met bedrijven –Lp(B)-“.

De aanvulling houdt in dat binnen de op de plankaart aangegeven stankcirkels geen kantoren, zakelijke dienstverlening, voedings- en genotmiddelen bedrijvigheid en/of bedrijvigheid die bestemd is voor het langdurig, met wonen gelijk te stellen, verblijf van mensen, waaronder in ieder geval begrepen bedrijven met een arbeids- en/of bezoekersintensiteit van minder dan 40 vierkante meter bruto vloeroppervlak per werknemer en/of minder dan 100 vierkante meter bruto vloeroppervlak per bezoeker mogen worden gevestigd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is vastgesteld om te voldoen aan de in artikel 30 van de WRO neergelegde verplichting een nieuw plan vast te stellen, indien aan een eerder vastgesteld bestemmingsplan goedkeuring is onthouden. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan in overeenstemming zijn met de beslissing waarbij goedkeuring aan het eerder vastgestelde plan is onthouden en niet anderszins in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten voeren aan dat verweerders de aanvulling van de artikelen 5, 7 en 8, alle het eerste lid, van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Doornhoek” ten onrechte hebben goedgekeurd. Zij zijn beducht dat hun agrarische bedrijven, die zijn gelegen in de nabijheid van het gebied waarop het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Doornhoek” betrekking heeft, beperkingen zullen ondervinden als gevolg van de door het bestemmingsplan mogelijk te maken vestiging van niet-agrarische bedrijven binnen de stankcirkel van hun bedrijven. Ook is huns inziens een aanvaardbaar verblijfsklimaat binnen de stankcirkel niet gegarandeerd. Appellanten achten de aanvulling van de planvoorschriften in dit opzicht ontoereikend, onduidelijk en niet handhaafbaar.

2.4. Verweerders hebben de aanvulling van de artikelen 5, 7 en 8, alle het eerste lid, van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Doornhoek” niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen zich op het standpunt dat binnen de bestaande stankcirkels van agrarische bedrijven alleen bedrijvigheid gevestigd mag worden met een matige tot lage arbeids- en/of bezoekersintensiteit, vanuit enerzijds de belangen van de agrarische bedrijfsvoering en anderzijds vanuit een aanvaardbaar werk- en verblijfsklimaat. Verweerders is gebleken dat de gemeenteraad ter definitie van het begrip “lage tot matige arbeids- en/of bezoekersintensiteit” aansluiting heeft gezocht bij de definitiebepaling die is ontwikkeld in het kader van het rijks- en provinciale mobiliteitsbeleid. Hoewel het mobiliteitsbeleid inmiddels is verlaten, zijn verweerders van mening dat de daarin gehanteerde definiëring als algemeen aanvaard kan worden beschouwd.

2.5. De Afdeling acht het standpunt, dat binnen de bestaande stankcirkels van agrarische bedrijven alleen bedrijvigheid gevestigd mag worden met een matige tot lage arbeids- en/of bezoekersintensiteit, in beginsel niet onredelijk. Ook de verwijzing naar de normering zoals ontwikkeld voor het mobiliteitsbeleid acht de Afdeling niet op voorhand onredelijk. Nu dit beleid evenwel een ander doel dient dan hier aan de orde, acht de Afdeling de enkele verwijzing naar dit beleid ontoereikend. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepen zijn gelet op het voorgaande gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanvulling van de artikelen 5, 7 en 8, alle het eerste lid, van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Doornhoek”.

2.6. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 19 maart 2002, nummer 783474, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanvulling van de artikelen 5, 7 en 8, alle het eerste lid, van de voorschriften van het op 7 juni 1999 door de gemeenteraad van Veghel vastgestelde bestemmingsplan “Bedrijventerrein Doornhoek”;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.288,--;

dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant alsvolgt aan appellanten te worden betaald:

aan appellant sub 1 € 644,-- welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan appellanten sub 2 € 644,-- welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellant sub 1 en € 218,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003

210.