Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
200204037/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204037/1.

Datum uitspraak: 8 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 26 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: burgemeester en wethouders) appellant onder last van dwangsommen aangeschreven de recreatiewoning in overeenstemming te brengen met de daarvoor op 17 augustus 1992 verleende bouwvergunning, de permanente bewoning daarvan te staken en de stacaravan en zeecontainer te verwijderen van het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Donkerbroek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de last onder dwangsom inzake de stacaravan ingetrokken en de begunstigingstermijnen verlengd tot 3 jaar. Dit besluit en het advies van de algemene kamer van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Ooststellingwerf van 2 mei 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juni 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 september 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H.J.W. van Wijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank zich terecht niet heeft uitgelaten over de last onder dwangsom inzake de stacaravan op het perceel, nu deze bij de bestreden beslissing op bezwaar is ingetrokken.

2.2. Vast staat dat de recreatiewoning is gebouwd en wordt gebruikt in afwijking van de daarvoor verleende vergunning en dat de zeecontainer is geplaatst zonder vergunning.

Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” rust op het perceel de bestemming “Gronden bestemd voor landschaps- en natuurbouw (natuurgebied)”. Niet in geschil is dat ingevolge artikel III, aanhef en sub 1, van het “Bestemmingsplan buitengebied, partiële herziening aanvullende gebruiksregelingen”, het permanente gebruik van de recreatiewoning niet is toegestaan.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor het plaatsen van de zeecontainer ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning was vereist.

Gelet hierop stelt de Afdeling met de rechtbank vast dat burgemeester en wethouders bevoegd waren handhavend op te treden.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden.

2.4. Van een bijzonder geval kan sprake zijn als concreet zicht bestaat op legalisering daarvan.

Onbetwist staat vast dat de recreatiewoning, het permanente gebruik daarvan en het plaatsen van de zeecontainer in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemming “Gronden bestemd voor landschaps- en natuurbouw (natuurgebied)”. Dat appellant meent dat het perceel een andere bestemming had behoren te krijgen – hetgeen thans niet ter beoordeling staat – maakt dat niet anders. Derhalve kan slechts met behulp van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die luidt sinds 3 april 2000, vergunning worden verleend. De Afdeling is gebleken dat burgemeester en wethouders niet bereid zijn deze vrijstelling te verlenen nu het planologisch beleid van de gemeente zich daartegen verzet. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders de toepassing van deze bepaling niet in redelijkheid hebben kunnen afwijzen. Dat de recreatiewoning – die 30% meer inhoud heeft dan ingevolge de vergunning is toegestaan - even groot zo niet kleiner is dan de meeste recreatiewoningen die thans worden gebouwd, doet daaraan niet af reeds omdat dergelijke woningen niet zijn toegestaan op gronden met de onderhavige bestemming. Ook het betoog van appellant dat het huidige gebruik van de recreatiewoning minder belastend is voor de omgeving dan eventuele verhuur van de recreatiewoning, geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat burgemeester en wethouders deze vrijstelling hadden moeten verlenen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin aangezien de Afdeling niet is gebleken van toezeggingen dan wel de gerechtvaardigd gewekte verwachting dat burgemeester en wethouders deze vrijstelling zonder meer zouden verlenen. Anders dan appellant meent kon hij aan het raadsbesluit uit 1992, inzake de vrijstelling voor de bouwvergunning, niet de verwachting ontlenen dat ook voor de recreatiewoning zoals hij die thans heeft gebouwd, vrijstelling zou worden verleend.

Concreet zicht op legalisering was derhalve, gelijk de rechtbank oordeelt, niet aanwezig.

2.5. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die dit geval bijzonder maken.

Niet aannemelijk is geworden dat burgemeester en wethouders in gevallen die met de onderhavige situatie vergelijkbaar zijn, niet handhavend zijn opgetreden tegen zeecontainers die zonder bouwvergunning zijn geplaatst ten behoeve van het permanente gebruik van een recreatiewoning. Het in dit verband gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

Voorts maken de door appellant gestelde financiële belangen dit geval niet bijzonder. Nu appellant de recreatiewoning welbewust in afwijking van de daarvoor verleende vergunning heeft gebouwd, dienen de gevolgen daarvan voor zijn rekening te komen.

Met de rechtbank moet dan ook worden geconcludeerd dat niet staande kan worden gehouden dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot het treffen van handhavingsmaatregelen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Sluiter

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003

292.