Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
200200473/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200473/1.

Datum uitspraak: 8 januari 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid "Werkgroep Houd De Dorpen Groen", gevestigd te Niedorp, en de Milieufederatie Noord-Holland, gevestigd te Bergen,

2. Belangenvereniging “De Fuik/Veilingweg”, bestaande uit bewoners van woningen aan de Veilingweg, De Fuik en Hartendorp, allen wonend te Warmenhuizen,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2001 heeft de gemeenteraad van Harenkarspel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 22 maart 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Zaadveredelingsbedrijf Warmenhuizen".

Verweerders hebben bij hun besluit van 30 oktober 2001, no. 2001-14008, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 per faxbericht van 24 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellante sub 2 bij brief van 24 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht (hierna te noemen: het deskundigenbericht), gedateerd 6 september 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening en appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. P. van Duijvenvoorde, advocaat te Amsterdam, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de raad van de gemeente Harenkarspel, vertegenwoordigd door M.V. Tijm-Carnas, wethouder, en A.J.M. van Went, ambtenaar der gemeente, en Bejo Zaden B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op een gebied van ongeveer 28 hectare langs de Veilingweg ter weerszijden van de Trambaan ten westen van de kern Warmenhuizen. Met het plan wordt beoogd een concentratie van de bedrijfsactiviteiten van het zaadveredelingsbedrijf Bejo Zaden B.V. (hierna te noemen: Bejo) mogelijk te maken.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten sub 1 en 2 hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel dat voorziet in een uitbreiding van Bejo. Zij zijn van mening dat een uitbreiding als in het plan is voorzien, in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid. Het open karakter van het landschap en het woon- en leefklimaat zullen, aldus appellanten, op een onaanvaardbare wijze worden aangetast.

2.4. Verweerders hebben met uitzondering van twee onderdelen van de planvoorschriften geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij hebben overwogen dat het plan niet in strijd is met het streekplan. Volgens verweerders wordt in het plan voldoende rekening gehouden met de landschappelijke waarden en het woon- en leefklimaat.

2.5. Op de gronden ten zuiden van de Trambaan bevinden zich de kantoren, pakhuizen en het zaadtechnologisch laboratorium van Bejo met een totaal oppervlak van ruim twee hectare. Aan deze gronden en de gronden ten noorden van de Trambaan, die onbebouwd zijn, is – voorzover hier van belang - de bestemming “Zaadveredelingsbedrijf” toegekend. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor het veredelen en kweken van plantaardige zaden, alsmede het onderzoek daarnaar, de opslag en verwerking daarvan en de handel daarin. Ingevolge het tweede lid en derde lid, in samenhang met artikel 9 mag ten hoogste 55.500 en na vrijstelling 61.050 m2 aan bedrijfsgebouwen worden opgericht en 77.000 en na vrijstelling 84.700 m2 aan kassen. Blijkens de plankaart zal de bedrijfsbebouwing hoofdzakelijk worden opgericht op de gronden ten zuiden van de Trambaan en zijn de kassen voorzien op de gronden ten noorden van de Trambaan. In de in artikel 3 van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen staat dat het ruimtelijk kader is weergegeven op de kaart “Ruimtelijke hoofdstructuur”. Blijkens deze kaart zullen op het grootste deel van de resterende gronden van het gebied een demonstratietuin, water en groenvoorzieningen worden aangelegd. De bedrijfsactiviteiten van Bejo bestaan, zo blijkt onweersproken uit het deskundigenbericht, uit het ontwikkelen en veredelen van (nieuwe) rassen van gewassen, het testen en vermeerderen van deze rassen, het schonen en eventueel bewerken van de geoogste zaden en het verpakken en bezorgen van de zaden. Bejo beschikt daarvoor naast de bestaande bedrijfsgebouwen op de gronden ten zuiden van de Trambaan over een researchcentrum aan de Oudevaart, met ongeveer 1,6 hectare aan kassen en zogeheten proefvelden, ongeveer 3 hectare kassen in de omgeving ten behoeve van de veredeling en ongeveer 3,5 hectare aan kassen in Heerhugowaard.

Gelet op de bedrijfsactiviteiten en in aanmerking genomen de verhouding tussen de oppervlakte aan kassen en andere vormen van ruimtegebruik, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet het standpunt hebben kunnen innemen dat Bejo niet kan worden aangemerkt als een glastuinbouwbedrijf. Verweerders behoefden derhalve geen toepassing te geven aan het in het “Streekplan Noord-Holland-Noord 1995” (hierna te noemen: het streekplan) opgenomen beleid ten aanzien van glastuinbouw-bedrijven en hebben kunnen concluderen dat het plan op dit punt niet in strijd is met het streekplan.

Blijkens de bij het streekplan behorende kaart heeft het gebied de aanduiding “agrarisch gebied”. Gebieden met deze aanduiding zijn in de eerste plaats bedoeld voor agrarische functies maar ook, in beperkte omvang, voor niet-agrarische functies. Op de kaart op bladzijde 56 van het streekplan is het gebied niet aangewezen als gebied met bijzondere betekenis voor natuur, landschap en bodem. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van verweerders dat derhalve geen bijzondere landschappelijke en natuurlijke waarden worden aangetast, onjuist is.

Vast staat dat het bestaande open karakter van het deel van het gebied ten noorden van de Trambaan en daarmee ook het uitzicht van de bewoners als gevolg van het plan drastisch zal veranderen. De Afdeling is niettemin van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de belangen die gediend zijn met de uitvoering van het plan zwaarder wegen dan de belangen van appellanten. Zij heeft in dat verband betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het gebied grenst aan de rand van de dorpskern en dat ingevolge de in het vorige bestemmingsplan aan de gronden toegekende bestemming “Agrarisch gebruik II” ook bebouwing mogelijk was. Voorts acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat uit zowel een oogpunt van bedrijfsvoering als werkgelegenheid concentratie van de bedrijfsactiviteiten efficiënt is, niet onaannemelijk. Blijkens de hierboven genoemde kaart “Ruimtelijke hoofdstructuur” zal het gebied aan de zijde van de Veilingweg worden afgeschermd met groenvoorzieningen en de demonstratietuin en bieden de open ruimtes tussen de kassen en bedrijfsgebouwen een doorkijk naar het achtergelegen landschap. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat het plan voorziet in een goede ruimtelijke inpassing, niet onaannemelijk.

Wat betreft de door appellante sub 2 aangevoerde vrees voor hinder overweegt de Afdeling als volgt. De kortste afstand tussen de in het plan voorziene bebouwing en de aan het gebied grenzende woningen is ongeveer 90 meter. Wat betreft lichthinder is in de in artikel 3 van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen opgenomen dat bij de aanvraag van de milieuvergunning erop zal worden toegezien dat zodanige voorzieningen zullen worden getroffen dat er geen licht uitstraalt naar de omgeving. Gelet op de genoemde afstand en mede gezien het feit dat het gaat om zogeheten groeikassen, komt de Afdeling het standpunt van verweerders dat het plan niet zal leiden tot ernstige hinder, niet onredelijk voor. Overigens is ter zitting gebleken dat in de nachtelijke uren geen gebruik zal worden gemaakt van de verlichting in de kassen.

Voorzover appellante sub 2 van mening is dat onvoldoende inzicht bestaat in de toename van het verkeer, overweegt de Afdeling dat is gebleken dat als gevolg van de in het plan voorziene uitbreiding per etmaal ongeveer 100 verkeersbewegingen per motorvoertuig van het personeel en ongeveer 80 verkeersbewegingen per motorvoertuig van derden zullen plaatsvinden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerders ten onrechte zijn uitgegaan van deze gegevens. De Afdeling acht het voorts aannemelijk dat in de huidige situatie, waarbij Bejo op verschillende plaatsen haar bedrijfsactiviteiten uitoefent, meer verkeersbewegingen in en rond de kern Warmenhuizen plaatsvinden.

Ten aanzien van de wens van appellanten de voorziene uitbreiding van het oppervlak aan kassen aan te leggen in het glastuinbouwconcentratiegebied in Heerhugowaard overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.6. Gelet op al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het omstreden plandeel.

De beroepen van appellanten sub 1 en 2 zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003.

176-290.