Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
200202360/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202360/1.

Datum uitspraak: 8 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Koninklijke Houthandel Eecen B.V.", gevestigd te Oudkarspel,

appellanten,

en

burgemeester en wethouders van Langedijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2000, kenmerk GZ/4325, hebben verweerders afwijzend beslist op het verzoek van appellanten sub 1 om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van de inrichting van appellante sub 2. Deze inrichting is gelegen op het perceel Dorpsstraat 818 te Oudkarspel, kadastraal bekend gemeente Langedijk, sectie A, nummer 843.

Bij besluit van 14 mei 2002 hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voorzover dit is gericht op het toepassen van bestuursdwang en gegrond verklaard voorzover dit is gericht op het ontbreken van een onderzoek naar geluidhinder.

Tegen dat deel van het besluit waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, hebben appellanten bij brief van 14 juni 2001 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 27 februari 2002, nummer 200103956/1, heeft de Afdeling dit beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 mei 2002 in zoverre vernietigd. Aan verweerders is de opdracht gegeven om met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 22 maart 2002, kenmerk BFZ/U1910, hebben verweerders het bezwaar van appellanten alsnog gegrond verklaard en hebben zij een termijn gesteld waarna het overtreden van het aan de veranderingsvergunning van 26 juli 1994 verbonden voorschrift V.12 niet langer zal worden gedoogd. Dit aangehechte besluit is op 25 maart 2002 verzonden aan appellanten sub 1 en op 22 april 2002 aan appellante sub 2.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 en 2, bij brief van 26 april 2002 respectievelijk 31 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2002 respectievelijk 31 mei 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroepschrift aangevuld bij brief van 8 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 september 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. B.F. Eblé, advocaat te Haarlem, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te Den Haag, en verweerders, vertegenwoordigd door J.F. Vijn, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders bepaald dat het overtreden van het aan de veranderingsvergunning van 26 juli 1994 verbonden voorschrift V.12 na een termijn van 18 maanden na verzending van dit besluit niet langer zal worden gedoogd en dat daarna handhavend zal worden opgetreden.

2.2. Appellante sub 2 meent dat het bestreden besluit in strijd met hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen, aangezien zij ten onrechte niet bij de voorbereiding van dit besluit is betrokken.

2.2.1. In het kader van de voorbereiding van het besluit van 21 augustus 2000 heeft appellante sub 2 haar zienswijze ingebracht. Verder is zij door verweerders gehoord in het kader van de genomen beslissing op bezwaar van 14 mei 2002. Niet is gebleken dat verweerders bij het nemen van het onderhavige besluit nieuwe feiten en omstandigheden hebben aangevoerd. Van strijdigheid met de Algemene wet bestuursrecht is derhalve geen sprake.

Deze beroepsgrond van appellante sub 2 faalt.

2.3. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.4. In voorschrift V.12 is bepaald dat de aan- en afvoerroute van de uitbreiding van de inrichting binnen vijf jaar overeenkomstig de bij de veranderingsvergunning behorende bijlage 2 moet zijn gerealiseerd.

Vaststaat dat dit voorschrift niet door appellante sub 2 wordt nageleefd, zodat verweerders op zichzelf gerechtigd zijn daartegen handhavend op te treden.

2.5. Volgens appellanten sub 1 is de door verweerders gestelde termijn van maximaal 18 maanden onredelijk lang en niet noodzakelijk. Zij menen dat een termijn van maximaal zes tot acht maanden redelijk is, aangezien de wettelijke procedures die gevolgd moeten worden teneinde de aan- en afvoerroute te realiseren, binnen deze termijn kunnen worden doorlopen.

2.5.1. Appellante sub 2 meent dat verweerders haar belangen in onvoldoende mate hebben afgewogen. Zij voert in dit verband aan dat het mede aan verweerders zelf te wijten is dat de aan- en afvoerroute nog niet is aangelegd, aangezien zij bewust onduidelijkheid hebben laten bestaan omtrent de verdeling van de kosten van de aanleg. Ook betoogt zij dat verweerders ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de mogelijke verplaatsing van haar inrichting in 2005 en het feit dat zij een alternatieve aan- en afvoerroute aan verweerders heeft voorgelegd.

2.5.2. Verweerders menen dat de door hen gestelde termijn redelijk en haalbaar is. Zij wijzen erop dat door hen rekening is gehouden met verschillende te volgen wettelijke procedures.

2.5.3. De Afdeling overweegt als volgt. Ter zitting hebben verweerders toegelicht dat de aanleg van de aan- en afvoerroute op dit moment niet kan worden gerealiseerd, aangezien een aantal procedures op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) moet zijn afgerond. Verweerders doelen hierbij op de procedure tot het wijzigen van het vigerende bestemmingsplan en de procedure tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO. Deze laatste procedure hebben verweerders inmiddels ambtshalve in gang gezet. Verder hebben verweerders toegelicht dat teneinde de aan- en afvoerroute te kunnen realiseren, formeel toestemming van de waterbeheerder moet zijn verleend. Verweerders hebben hieromtrent verklaard dat het ambtelijk overleg met de waterbeheerder inmiddels is gestart. Één en ander heeft echter nog niet tot het officieel verlenen van toestemming geleid. Gelet op het vorenoverwogene acht de Afdeling het dan ook niet aannemelijk dat appellante sub 2 binnen de in het bestreden besluit genoemde termijn aan voorschrift V.12 kan voldoen. Geconcludeerd moet worden dat verweerders in het kader van de zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis hebben vergaard omtrent de relevante feiten, zodat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen. De beroepsgrond van appellante sub 2 slaagt. Overigens is het de Afdeling, afgezien van de te volgen procedures op grond van de WRO en de te verkrijgen toestemming van de waterbeheerder, niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 2 de aan- en afvoerroute niet zou kunnen effectueren.

De beroepsgrond van appellanten sub 1 is eveneens tegen de gestelde termijn gericht. Uit het vorenstaande volgt dat deze beroepsgrond van appellanten sub 1 niet kan slagen.

2.6. Het beroep van appellanten sub 1 is ongegrond en het beroep van appellante sub 2 is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerders dienen op de hierna in het dictum genoemde wijze een nieuw besluit te nemen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van appellanten sub 1 bestaat geen aanleiding. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten ten aanzien van het beroep van appellante sub 2 te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2, voorzover dit gericht is tegen de gestelde termijn, gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Langedijk van 22 maart 2002, kenmerk BFZ/U1910;

III. draagt burgemeester en wethouders van Langedijk op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart het beroep van appellante sub 2 voor het overige ongegrond;

V. verklaart het beroep van appellanten sub 1 ongegrond;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Langedijk in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Langedijk te worden betaald aan appellante sub 2;

VII. gelast dat de gemeente Langedijk aan appellante sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003

179-404.