Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF2726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
08-01-2003
Zaaknummer
200202244/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 157 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202244/1.

Datum uitspraak: 8 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Samenwerkingsverband Eerstelijnsgezondheidszorg Reeshof", gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

het College voor zorgverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 9 januari 2001 heeft verweerder krachtens de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (hierna: de Regeling) voorschotten op de subsidie voor 2001 voor de maanden januari tot en met maart 2001 aan appellante verstrekt. Bij besluit van 17 april 2001 heeft verweerder krachtens de Regeling voor het jaar 2001 aan appellante een subsidie verleend tot een bedrag van ƒ 132.050,-/€ 59.922,- en daarnaast voorschotten verleend tot dit bedrag.

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft verweerder de door appellante gemaakte bezwaren tegen de bij brief van 9 januari 2001 gedane verstrekking van voorschotten en tegen het besluit van 17 april 2001 ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.F. de Koning, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en [voorzitter van appellante], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Hallie en drs. S. van der Scheur, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1p, eerste lid, aanhef en onder f, van de Ziekenfondswet kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College zorgverzekeringen ten laste van de Algemene Kas dan wel ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt voor andere bij die regeling aan te wijzen doeleinden, verband houdende met de verzekering ingevolge deze wet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de volksgezondheid in het algemeen.

Ter uitvoering van dit artikel strekt de Regeling.

Ingevolge artikel 1.1.2, eerste lid, van de Regeling, voorzover hier van belang, verstrekt het College zorgverzekeringen op grond van deze regeling subsidies voor de in hoofdstuk 2 aangegeven doeleinden. Ingevolge het tweede artikellid geschiedt het aanvragen van de subsidie en de subsidievaststelling alsmede het nemen van besluiten met betrekking tot subsidies overeenkomstig de in deze regeling gestelde regels.

Ingevolge artikel 2.7.21.6 van de Regeling bedraagt de subsidie maximaal het bedrag waarop de subsidie in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar is vastgesteld.

Ingevolge artikel 7 van de Regeling College voor zorgverzekeringen subsidiëring zwaarder gestructureerde samenwerkingsverbanden 2000 (hierna: de Regeling 2000) bedraagt de subsidie maximaal het laagste van de in de volgende onderdelen bedoelde bedragen:

a. het saldo van de ingevolge deze regeling in aanmerking te nemen lasten en baten vermeerderd met de ingevolge artikel 8 toegestane toevoeging aan de egalisatiereserve;

b. het bedrag van de op grond van de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zwaarder gestructureerde samenwerkingsverbanden 1999 vast te stellen subsidie.

2.2. Bij het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerder de gevraagde subsidie verleend tot een bedrag van ƒ 132.050,-/€ 59.922,-. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, gelet op het bepaalde artikel 2.7.21.6 van de Regeling, de subsidie voor het jaar 2001 niet hoger kan zijn dan die van het voorafgaande jaar 2000. De subsidie voor laatstgenoemd jaar is vastgesteld op grond van de Regeling 2000 en kan volgens verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 7 van de Regeling 2000, niet hoger zijn dan die van het jaar 1999. De consequentie hiervan is dat een uitbreiding van activiteiten na 1999 die het budget te boven gaan, niet in aanmerking komen voor subsidiëring krachtens voormelde regelingen.

2.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder de Regeling in de onderhavige zaak juist toegepast. Wat ook zij van hetgeen appellante heeft aangevoerd ter zake van de subsidie voor het jaar 2000, dit kan hieraan niet afdoen, nu dit niet ziet op het subsidiejaar 2001 waarop het onderhavige geschil betrekking heeft. Appellante heeft weliswaar betoogd dat het bestreden besluit strijdig zou zijn met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en met overige rechtsbeginselen, doch zij heeft dit onvoldoende onderbouwd, terwijl de Afdeling van die strijdigheid evenmin is gebleken. Hetgeen appellante in dit verband aanvoert richt zich tegen de strekking en inhoud van de Regeling, die echter niet in geding zijn.

2.3.1. Verweerder heeft de bij brief van 9 januari 2001 gedane verstrekking van voorschotten ten onrechte als besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt. Verweerder had dan ook het door appellante tegen de verstrekking van voorschotten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Hierin wordt evenwel geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2003

66-424.