Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF6187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2002
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
200202410/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State 200202410/1.

Datum uitspraak: 28 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 23 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 april 2002, verzonden op 25 april 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 mei 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de 48-uurs-termijn is overschreden, door van een onjuist aanvangstijdstip van de Aanmeldcentrum-procedure uit te gaan. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hetgeen in paragraaf C3/12.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) staat vermeld omtrent de maximale wachttijd van vier uur tussen de aanmelding op afspraak en de feitelijke opname in de asielprocedure niet als kennelijk onredelijk of als in strijd met de wettelijke regelgeving is aan te merken.

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen.

2.1.2. Uit die bepaling volgt, bij gebreke van een nadere bepaling terzake, dat voor de vaststelling van de aanvang van de 48-uurs-termijn aansluiting moet worden gezocht bij de aanvang van het onderzoek in het aanmeldcentrum, gericht op de beoordeling van de aanvraag.

2.1.3. Blijkens paragraaf C3/12.2.3 van de Vc 2000 gaat de staatssecretaris er van uit dat de 48-uurs-termijn in het aanmeldcentrum Ter Apel aanvangt op het moment dat het eerste onderzoek van de eerste fase begint. Tussen de aanmelding op afspraak en feitelijke opname in – en daarmee de start van – de asielprocedure geldt in het aanmeldcentrum een maximale wachttijd van vier uur. Na verloop van die tijd vangt de termijn in elk geval aan.

2.1.4. Deze nadere uitwerking in de Vc 2000 van het bepaalde in voormeld artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 blijft binnen de eerder aangegeven strekking van die bepaling en is ook overigens niet rechtens onjuist. Dat de indiening van de aanvraag in werkelijkheid vaak plaatsvindt, nadat enig onderzoek in de eerste fase heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Het onderzoek in de eerste fase is er immers op gericht de dan nog in te dienen aanvraag te beoordelen. Van een zodanig onderzoek is op het door appellant in zijn hoger-beroepschrift genoemde ‘slagboomtijdstip’ nog geen sprake, zodat er geen grond is voor het oordeel dat de 48-uurs-termijn op dat moment reeds aanvangt.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de aanvraag van appellant binnen 48 proces-uren is afgewezen.

De conclusie is dat de grief faalt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Kallan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2002

15-385.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,