Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF6073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
200201529/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200201529/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 februari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 februari 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 april 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (Dublin, 15 juni 1990, hierna: de OvD) verbinden de Lid-Staten zich ertoe het asielverzoek van elke vreemdeling dat aan de grens of op het grondgebied van een hunner wordt ingediend, in behandeling te nemen.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het asielverzoek wordt behandeld door één Lid-Staat, die wordt aangewezen volgens de criteria van de artikelen 4 tot en met 8. Deze zijn van toepassing in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst.

In artikel 6 van de OvD is bepaald dat wanneer een asielzoeker, komend uit een Staat die geen lid is van de Europese Gemeenschappen, via het land, de zee of de lucht op illegale wijze de grens van een Lid-Staat heeft overschreden, de Lid-Staat via welke hij aantoonbaar is binnengekomen, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

2.2. De aanvraag van appellant is afgewezen, omdat Italië ingevolge de OvD verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Italië heeft die verantwoordelijkheid ook aanvaard.

2.3. Grief 1 strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op 30 mei 2001 door de Italiaanse autoriteiten afgegeven claimakkoord niet is vervalst, maar verbeterd naar aanleiding van een kennelijke verschrijving. Het handmatig aanbrengen van wijzigingen in de tekst van een getekend claimakkoord kan volgens appellant niet worden aangemerkt als een zodanige verbetering en het faxbericht van de Italiaanse autoriteiten van 26 september 2001 kan niet worden aangemerkt als een bevestiging van het claimakkoord, nu daarin een andere geboortedatum is vermeld.

2.3.1. Deze grief faalt. Uit de stukken blijkt dat de Italiaanse autoriteiten het verzoek van de Nederlandse autoriteiten tot overname van de asielaanvraag van appellant bij faxbericht van 30 mei 2001 hebben aanvaard. Het betreft hier een besluit, als bedoeld in artikel 11, vierde lid, eerste volzin, van de OvD. Dat de persoonsgegevens en nationaliteit van appellant handgeschreven in het claimakkoord zijn aangebracht, maakt dit niet anders. Artikel 3 van Besluit 1/97 van 9 september 1997 betreffende sommige bepalingen voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst van het Comité, ingesteld krachtens artikel 18 van de OvD, bepaalt slechts dat de reactie op een verzoek tot overname dient te bestaan uit een schriftelijke mededeling. Het claimakkoord, waar het hier om gaat, voldoet aan die eis.

Appellant betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank het faxbericht van de Italiaanse autoriteiten van 26 september 2001 ten onrechte heeft aangemerkt als een bevestiging van het claimakkoord van 30 mei 2001. Dat in de bevestiging als geboortedatum 6 november 1970 is vermeld, terwijl deze in het claimakkoord van 30 mei 2001 6 oktober 1970 is, dient te worden aangemerkt als een correctie van een kennelijke verschrijving in laatstvermeld document.

2.4. Gelet op het vorenstaande, staat vast dat de Italiaanse autoriteiten zich verantwoordelijk achten voor de behandeling van het asielverzoek, zoals zij bij bericht van 26 september 2001 met verwijzing naar artikel 6 OvD hebben meegedeeld. In die omstandigheden is de staatssecretaris, behoudens wellicht in zeer bijzondere omstandigheden die zich in dit geval niet voordoen, niet gehouden zich ervan te vergewissen dat de Italiaanse autoriteiten zich terecht verantwoordelijk achten. Reeds daarom kunnen de overige grieven, die van een andere opvatting uitgaan, evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met dat oordeel kan, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 worden volstaan.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Muller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

242-360.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,