Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF6069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2002
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
200202425/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200202425/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 april 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 mei 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

2.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.3. Het toetsingskader in deze zaak wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van de Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in voormeld artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door appellant ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of de staatssecretaris zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit, waarbij appellant toelating is geweigerd, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

2.4. In grief 1 betoogt appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de in beroep overgelegde persberichten van Reuters en IRIN voornamelijk zien op het zuiden en centrale gedeelte van Somalië. Appellant voert daartoe aan dat de persberichten ook betrekking hebben op het aan hem tegengeworpen verblijfsalternatief in het noorden van Somalië en dat hieruit van een toegenomen veiligheidsrisico blijkt. Nu de voorzieningenrechter hieraan is voorbij gegaan, is de uitspraak op dit punt niet van een deugdelijke motivering voorzien, aldus appellant.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2002 in zaak nr. 200105382/1, gepubliceerd in JV 2002/76, NAV 2002/59), komt de staatssecretaris bij de toepassing van het beleid inzake categoriale bescherming een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat de staatssecretaris bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot het ingenomen standpunt heeft kunnen komen. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 12 oktober 2001 in zaak nr. 200103977/1, gepubliceerd in JV 2001/325, AB 2001/359 en NAV 2002/2), kan een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de staatssecretaris bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.4.2. De staatssecretaris heeft zich in de brief van 8 mei 2002 op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde berichten niet kan worden afgeleid dat de algehele situatie in het gehele relatief veilige deel van Somalië van dien aard is, dat deze er aan in de weg staat dat verblijf in dat gebied wordt verlangd en dat derhalve nog steeds van de juistheid van de informatie in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 kan worden uitgegaan.

2.4.3. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (voormelde uitspraak van 14 januari 2002), bestaat er geen grond om te oordelen dat de staatssecretaris zich op basis van de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 ten aanzien van minderheidsgroepen in het algemeen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in, het noorden van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is.

2.4.4. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich naar aanleiding van de door de vreemdeling overgelegde persberichten van Reuters en IRIN en het rapport van Artsen Zonder Grenzen van 4 februari 2002 niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze stukken geen concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de actualiteit op hoofdlijnen van de in de ambtsberichten neergelegde informatie over de algehele situatie in het noorden van Somalië. Hoewel met name uit de persberichten, voorzover zij betrekking hebben op de situatie in Puntland, blijkt dat in dit gebied een politieke crisis is uitgebroken, kan niet worden geoordeeld dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze stukken geen grondslag bieden voor het oordeel dat de algehele situatie in dit gebied voor alle leden van minderheidsgroepen ten tijde van de aangevallen uitspraak zodanig is verslechterd, dat die zich in het gehele noorden van Somalië wegens onveiligheid of het ontbreken van basisvoorzieningen in een, naar plaatselijke maatstaven gemeten, humanitaire noodsituatie bevinden.

2.4.5. De overgelegde stukken leiden derhalve niet tot het oordeel dat de staatssecretaris daarin aanleiding moest vinden om ten aanzien van minderheidsgroepen een categoriaal beschermingsbeleid, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, te voeren. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zich voor hem bij terugkeer naar het noorden van Somalië een humanitaire noodsituatie voordoet. Grief 1 kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.5. Grief 2 klaagt dat de voorzieningenrechter ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het beroep op een uitspraak van 5 april 2002 in zaak nr. AWB 02/21347 van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, waarin is overwogen dat niet met zekerheid kan worden geoordeeld dat de persberichten geen nieuw licht werpen op de verblijfsmogelijkheden in Noord-Somalië.

2.5.1. Deze grief faalt. De Afdeling heeft over de kwestie geoordeeld. De grief mist daarna afzonderlijke betekenis.

2.6. Grief 3 klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag in het aanmeldcentrum kon worden afgewezen.

2.6.1. Bij de toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen, gaat het er om of het desbetreffende besluit binnen 48 uur op zorgvuldige wijze is genomen. Dit mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing. Gelet op het vooroverwogene, treft deze grief geen doel.

2.7. Nu de Afdeling, na behandeling ter zitting, ten aanzien van voormeld artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, in een andere zaak gelijkluidend heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2002 in zaak nr. 200203043/1, ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht), kan thans geconcludeerd worden tot kennelijke ongegrondheid van het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002

241-347.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,