Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF6035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200202265/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

200202265/1.

Datum uitspraak: 10 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 april 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 mei 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de onder 4.0 en 4.1 opgenomen grief betoogt appellant dat de rechtbank, door er niet van uit te gaan dat de 48-uurs-termijn in het aanmeldcentrum Rijsbergen aanving op het zogenoemde ‘slagboomtijdstip’ – 27 maart 2002 om 12.25 uur - waarop appellant zich conform de afspraak met de staatssecretaris bij het aanmeldcentrum heeft gemeld, doch als aanvangstijdstip 14.35 uur te nemen, heeft miskend dat de aanvraag niet binnen de 48 proces-uren is afgewezen.

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in het aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 uur tot 08.00 uur niet meetellen.

2.1.2. Uit die bepaling volgt, bij gebreke van een nadere bepaling terzake, dat voor de vaststelling van de aanvang van de 48-uurs-termijn aansluiting moet worden gezocht bij de aanvang van het onderzoek in het aanmeldcentrum, gericht op de beoordeling van de aanvraag.

2.1.3. Blijkens paragraaf C3/12.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) gaat de staatssecretaris er van uit dat de 48-uurs-termijn in het aanmeldcentrum Rijsbergen aanvangt op het moment dat het eerste onderzoek van de eerste fase begint. Tussen de aanmelding op afspraak en feitelijke opname in – en daarmee de start van – de asielprocedure geldt in het aanmeldcentrum een maximale wachttijd van vier uur. Na verloop van die tijd vangt de termijn in elk geval aan.

2.1.4. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2002 in zaak nr. 200201773/1, ter voorlichting van partijen aan deze uitspraak aangehecht) blijft deze nadere uitwerking in de Vc 2000 van het bepaalde in voormeld artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 binnen de eerder aangegeven strekking van die bepaling en is zij ook overigens niet rechtens onjuist. Dat de indiening van de aanvraag in werkelijkheid vaak plaatsvindt, nadat enig onderzoek in de eerste fase heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Het onderzoek in de eerste fase is er immers op gericht de dan nog in te dienen aanvraag te beoordelen. Van een zodanig onderzoek is op het door appellant bedoelde ‘slagboomtijdstip’ nog geen sprake, zodat er geen grond is voor het oordeel dat de 48-uurs-termijn op dat moment reeds aanvangt.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de aanvraag van appellant binnen 48 proces-uren is afgewezen.

De conclusie is dat de grief faalt.

2.2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

De wijze waarop de staatssecretaris van deze bevoegdheid gebruik pleegt te maken, is uiteengezet in onderdeel C1/4.4 van de Vc 2000.

2.2.1. In de onder 5.0 tot en met 5.2 opgenomen grief betoogt appellant – samengevat weergeven – dat de rechtbank een onjuiste toepassing en interpretatie heeft gegeven van het traumatabeleid en bovendien in strijd met haar taak, zoals die blijkt uit artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, bij gebreke van een motivering door de staatssecretaris, een eigen interpretatie van het asielrelaas aan de uitspraak ten grondslag heeft gelegd.

2.2.2. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat appellant niet voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in aanmerking komt, omdat hij de door hem gestelde dood van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt.

In beroep heeft appellant dit standpunt van de staatssecretaris bestreden. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank op dit punt niet expliciet ingegaan, maar is zij, zelf en rechtstreeks toetsend aan het door de staatssecretaris gevoerde traumatabeleid, op andere gronden tot het oordeel gekomen dat appellant aan dit beleid geen rechten kan ontlenen. Hoewel appellant terecht stelt dat dit de taak van de rechter te buiten gaat, kan deze grief niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Daartoe overweegt de Afdeling dat, gelet op hetgeen in beroep en thans ook in hoger beroep is aangevoerd, de staatssecretaris op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant de gestelde dood van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt. Eerst in beroep heeft appellant gesteld dat de dood van zijn vader niet de enige relevante traumatische gebeurtenis is geweest. Daartoe is aangevoerd dat appellant zelf gemarteld en ernstig mishandeld is en voorts getuige is geweest van de marteling en ernstige mishandeling van zijn vader. De rechtbank heeft appellant op goede gronden niet in deze stellingen gevolgd. Gelet op hetgeen door appellant zelf bij het nader gehoor is verklaard over zijn behandeling en die van zijn vader tijdens de gestelde opsluiting, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris hierin aanleiding had behoren te zien om het beroep op het traumatabeleid bij het bestreden besluit om deze redenen te honoreren.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002

241-360.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,