Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF5645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200203054/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203054/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2002, kenmerk MW00.32974, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Asfaltcentrale Over-Betuwe” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de productie van asfalt en cement- en emulsiegebonden producten, de op- en overslag van asfaltpuin en asfaltgranulaat ten behoeve van hergebruik, het breken van asfaltpuin en de winning en opslag van zand op het perceel Looveer 1b te Huissen, kadastraal bekend gemeente Huissen, sectie C, nummer 728. Dit besluit is op 25 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 24 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Woltering en ing. W.J. Verheijen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en F.D. van der Ploeg, deskundige, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de hoogte van de schoorsteen, de maximale geluidniveaus en het geuronderzoek.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant heeft de gronden inzake de hoogte van de schoorsteen en de maximale geluidniveaus niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellant voert aan dat in de aanvraag, die ingevolge voorschrift 1.1 deel uitmaakt van de vergunning, ten onrechte is gesteld dat de afstand van de asfaltbreker tot de dichtstbijzijnde woning [locatie] – de woning van appellant – 230 meter bedraagt. Uit een kadastrale kaart blijkt volgens hem dat deze afstand slechts 143,62 meter bedraagt. Verweerder is derhalve bij het nemen van het bestreden besluit uitgegaan van onjuiste gegevens, aldus appellant.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de aangevraagde asfaltbreker zich op een afstand van ongeveer 230 meter van de dichtstbijzijnde woning bevindt. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.3. Appellant voert verder aan dat in de aanvraag en in de bij het bestreden besluit verleende vergunning de bedrijfstijden niet concreet zijn weergegeven. Zo bieden naar zijn mening de aangevraagde bedrijfstijden in samenhang met het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1 de mogelijkheid dat in de nachtperiode asfalt wordt geproduceerd, hetgeen onaanvaardbare geluidhinder met zich brengt. De concrete bedrijfstijden dienen dan ook expliciet in de vergunning te worden opgenomen, waarbij dient te worden bepaald dat de productie van asfalt alleen in de dagperiode mag plaatsvinden, aldus appellant. Appellant vraagt zich tevens af of in het geuronderzoek is onderzocht wat het effect van overschrijding van de (onvoldoende concrete) bedrijfstijden is op de geurblootstelling. Voorts blijkt volgens appellant uit het bestreden besluit niet op welke dagen van de week de inrichting in werking zal zijn.

2.3.1. In paragraaf 4.13 van de aanvraag is met betrekking tot de bedrijfstijden het volgende vermeld:

”- De aanvoer van grondstoffen vindt normaliter plaats tussen 7.00 en 17.00 uur.

- De productie van asfalt vindt normaliter plaats tussen 05.30 en 21.15 uur.

- Het afvoeren van asfalt vindt normaliter plaats tussen 06.00 en 17.00 uur;

- Indien er asfalt gebroken wordt, zal dit plaatsvinden tussen 07.00 en 17.00 uur.

- Indien er zand gewonnen wordt, zal dit plaatsvinden tussen 07.00 en 17.00 uur.

Opmerkingen:

· Het kan voorkomen dat er overdag een extra shovel wordt ingezet. In het akoestisch rapport is hiermee reeds rekening gehouden.

· De ACOB moet incidenteel langduriger kunnen produceren tijdens de avond en/of nacht, dit is het gevolg van de wensen vanuit de markt […]. In deze aanvraag wordt uitgegaan van maximaal 12 uitzonderingssituaties.”

In voorschrift 3.1 is bepaald dat het breken van asfalt uitsluitend mag plaatsvinden gedurende de periode dat geen asfalt wordt geproduceerd.

Ingevolge voorschrift 3.5 mag het breken van asfalt uitsluitend plaatsvinden tussen 7.00 en 17.00 uur.

2.3.2. In de opgave van de bedrijfstijden in paragraaf 4.13 van de aanvraag wordt de term “normaliter” gebezigd. Deze opgave roept de vraag op of de hierin weergegeven tijden dienen te worden aangemerkt als maatgevende tijden, waarvan uitsluitend ten hoogste twaalf maal per jaar mag worden afgeweken, dan wel als indicatieve tijden, die meer afwijkingen toelaten. Ter zitting is gebleken dat de term “normaliter” uitsluitend is gebruikt ter onderscheiding van de representatieve bedrijfstijden en de twaalf uitzonderingssituaties, zodat er van uit moet worden gegaan dat met de “normaliter” geldende tijden de representatieve bedrijfstijden worden bedoeld waarbinnen de inrichting in werking is. Nu dit evenwel niet in het bestreden besluit naar voren komt, verdraagt het bestreden besluit zich in zoverre niet met het algemene rechtsbeginsel der rechtszekerheid. Voorts is in het bestreden besluit niet bepaald op welke dagen van de week de inrichting in werking mag zijn. Gelet hierop verdraagt het bestreden besluit zich in zoverre evenmin met het algemene rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

Met betrekking tot de vergunde twaalf incidentele afwijkingen van de bovengenoemde bedrijfstijden en de gestelde geluidgrenswaarden, overweegt de Afdeling dat noch het akoestisch rapport, noch het bestreden besluit er blijk van geeft dat is onderzocht of en in welke mate de ontheffingen en de duur daarvan konden worden beperkt dan wel of maximale geluidgrenswaarden voor deze incidentele situaties dienden te worden opgelegd. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat deze uitzonderingen ertoe kunnen leiden dat de maximaal toelaatbare geluidgrenswaarden die zijn vastgesteld voor onder meer de woning van appellant worden overschreden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid.

2.4. Appellant voert aan dat ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden, inhoudende dat een geluidscherm dient te worden geplaatst. Naar zijn mening kan hiermee een aanzienlijke reductie van de geluidbelasting ter hoogte van zijn woning worden bereikt.

Verweerder heeft dienaangaande betoogd dat het plaatsen van een geluidscherm niet is aangevraagd en derhalve ook niet kan worden vergund. Verder voert hij aan dat uit het akoestisch rapport van 4 augustus 2000, dat deel uitmaakt van de aanvraag, blijkt dat aan de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden kan worden voldaan, zodat hierin evenmin aanleiding bestond om een voorschrift ter zake aan de vergunning te verbinden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel van verweerder niet terecht dit standpunt heeft ingenomen. Deze beroepsgrond kan niet slagen.

2.5. Gelet op het bovenstaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het voorschrift 3.5 betreft, voorzover in het bestreden besluit niet is bepaald op welke dagen van de week de inrichting in werking mag zijn, alsmede voorzover bij het bestreden besluit maximaal 12 maal per jaar uitzonderingen op de representatieve bedrijfssituatie zijn toegestaan. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake de hoogte van de schoorsteen en de maximale geluidniveaus betreft;

II. verklaart het beroep, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 26 maart 2002, MW00.32974, voorzover het voorschrift 3.5 betreft, voorzover in dit besluit niet is bepaald op welke dagen van de week de inrichting in werking mag zijn, alsmede voorzover bij dit besluit maximaal 12 maal per jaar uitzonderingen op de representatieve bedrijfssituatie zijn toegestaan;

IV. bepaalt dat voorschrift 3.5 als volgt komt te luiden:

3.5

Het breken van asfalt mag uitsluitend plaatsvinden tussen 07.00 en 17.00 uur.

De aanvoer van grondstoffen mag uitsluitend plaatsvinden tussen 07.00 uur en 17.00 uur.

De productie van asfalt mag uitsluitend plaatsvinden tussen 05.30 en 21.15 uur.

De afvoer van asfalt mag uitsluitend plaatsvinden tussen 06.00 uur en 17.00 uur.;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit wat voorschrift 3.5 betreft is vernietigd;

VI. draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland op binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VIII. gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

271-361.