Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2521

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200102958/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102958/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. [appellanten sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellanten sub 12], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander vastgesteld het uitwerkingsplan “Partiële zesde uitwerking wonen en gemengde doeleinden van het bestemmingsplan Prinsenland”. Het besluit van het dagelijks bestuur is aangehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 8 mei 2001, kenmerk DRGG/ARB/01/1823A, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De beroepschriften zijn aangehecht.

Bij brief van 28 september 2001 hebben verweerders meegedeeld dat de inhoud van de beroepschriften hun geen aanleiding geeft tot het uitbrengen van een verweerschrift.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerders en het dagelijks bestuur van de deelgemeente hebben zich doen vertegenwoordigen.

Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen hun bezwaar dat het plan geen uitbreidingen aan de achterzijde van hun woningen mogelijk maakt ingetrokken. Daarnaast heeft ter zitting [appellant sub 5] zijn bezwaar dat het plan geen uitbreiding van zijn woning met een derde bouwlaag mogelijk maakt ingetrokken.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is gebaseerd op de uitwerkingsplicht in artikel 9 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Prinsenland” (hierna: het bestemmingsplan). Het betreft een globaal plan met uitwerkingsplicht dat onder meer woningbouw in Prinsenland mogelijk maakt en bij besluit van de gemeenteraad van Rotterdam van 27 september 1990 is vastgesteld, bij besluit van verweerders van 21 mei 1991 is goedgekeurd en bij Koninklijk Besluit van 29 december 1993, nr. 93010759, onherroepelijk is geworden.

Het voorliggende plan is een uitwerking van het grootste gedeelte van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming “Wonen” en tevens van een gedeelte van de bestemming “Gemengde Doeleinden”.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dienen verweerders te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerders de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, omdat het niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor zijn woning aan de [locatie sub 1]. De bezwaren richten zich in de eerste plaats tegen de bestemming “Erven”, voorzover deze is toegekend aan een strook grond grenzend aan de achterzijde van zijn woning, waar zich thans het terras bevindt. Appellant wenst dat dit gedeelte van zijn perceel de bestemming “Woondoeleinden” krijgt, zodat het mogelijk wordt een serre aan zijn woning te bouwen.

In de tweede plaats richten de bezwaren zich tegen de aanduiding “2” (maximum aantal bouwlagen) op de plankaart, voorzover deze aan een deel van het bouwvlak van zijn woning is toegekend. Appellant wenst dat het bouwvlak alhier de aanduiding “3” krijgt, zodat het mogelijk wordt dit gedeelte van zijn woning te voorzien van een derde bouwlaag.

2.3.1. Het dagelijks bestuur van de deelgemeente heeft bij het toekennen van de bestemming “Erven” en de aanduiding “2” aan de desbetreffende gedeelten van het in geding zijnde perceel uit ruimtelijke overwegingen niet ingestemd met de wensen van appellant en verwijst daarbij naar zijn reactie op de door appellant naar aanleiding van het voorontwerp ingebrachte inspraakreactie. Naar zijn mening doen op- en aanbouwmogelijkheden afbreuk aan het ruimtelijke beeld, dat zich hier kenmerkt door strokenbouw met onderling geringe afstanden en aan de totale verschijningsvorm van de woningen. Voorts hebben volgens het dagelijks bestuur de woningen aan de Koenraad Bothstraat, vanwege de ligging aan de singel, een bijzondere uitstraling. Ter behoud hiervan wenst het dan ook geen aanbouwmogelijkheden langs het water toe te staan. Tevens wijst het erop dat de door appellant gewenste derde bouwlaag een negatief effect heeft op de bezonning van de achterliggende percelen.

2.3.2. Verweerders stemmen blijkens het bestreden besluit in met de weerlegging door het dagelijks bestuur van de deelgemeente van de naar voren gebrachte zienswijzen.

2.3.3. De Afdeling is niet gebleken dat bij de uitwerking de in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels niet in acht zijn genomen. Overigens heeft appellant dit ook niet gesteld.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de woning van appellant deel uit van een rij van zeven woningen die alle met de achtergevel naar het water staan en op identieke wijze zijn gebouwd.

De woningen kenmerken zich door een trapsgewijze bouw, waarbij het laagste gedeelte van de woning zich bevindt aan de voorzijde (noordzijde) en het hoogste gedeelte aan de waterzijde.

Gelet op de bouwwijze van deze woningen komt de Afdeling niet onaannemelijk voor het standpunt van verweerders dat aan- en opbouwmogelijkheden alhier afbreuk doen aan het ruimtelijke beeld en de verschijningsvorm van de woningen.

De door appellant aangevoerde omstandigheid dat ter bevordering van de gelijkvormigheid een door de architect van de woningen gemaakt standaardontwerp zal worden toegepast, kan niet tot een ander oordeel leiden. Aldus kan niet worden voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan het bestaande ruimtelijke beeld.

Ten aanzien van de aanbouw aan de achterzijde hebben verweerders in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de bijzondere uitstraling van de woningen vanwege de ligging aan de singel.

Het standpunt van appellant dat het terras mag worden bebouwd omdat het onderdeel uitmaakt van de woning, komt de Afdeling niet juist voor. De bouwmogelijkheden worden immers bepaald door de omvang van het bouwvlak. Niet is gebleken dat het terras daarvan onderdeel uitmaakt.

Ten aanzien van de opbouw acht de Afdeling voorts niet onaannemelijk dat deze een ongunstig effect heeft op de bezonning van de tuinen van de woningen ten noorden van het perceel van appellant. Daarbij is in aanmerking genomen dat, zo ter zitting is gebleken, de opbouw in de plannen van appellant niet terugwijkend van de voorgevel van de tweede bouwlaag zal worden gerealiseerd, waardoor de afstand tot aan de grens van deze tuinen zeven meter bedraagt.

Aan het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat de Afdeling voorbij, nu appellant niet duidelijk heeft gemaakt om welke woningen het concreet gaat.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, hoewel het uitwerkingsplan past binnen de regels van het bestemmingsplan, verweerders het uitwerkingsplan in zoverre niettemin in strijd met een goede ruimtelijke ordening hadden moeten achten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.4. [appellant sub 2] en anderen stellen in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, omdat het niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor hun woningen aan de [locatie sub 2].

De bezwaren richten zich tegen de aanduiding “1” (maximum aantal bouwlagen) op de plankaart, voorzover deze aan een deel van het bouwvlak van de woningen is toegekend. Appellanten wensen dat het bouwvlak alhier de aanduiding “2” krijgt, zodat de tweede bouwlaag van deze woningen aan de zijkant kan worden uitgebreid tot maximaal het oppervlak van de begane grond.

2.4.1. Het dagelijks bestuur van de deelgemeente heeft bij het toekennen van de aanduiding “1” aan het desbetreffende gedeelte van de in geding zijnde percelen uit ruimtelijke overwegingen niet ingestemd met de wensen van appellanten. Het dagelijks bestuur acht in dit verband een afstand van 17 meter of minder, gerekend vanaf de zijgevels van de woningen van appellanten tot aan de gevels van de ernaast gelegen woningen te gering om de gedeelten aan de zijkant in één bouwlaag met nog een extra bouwlaag te kunnen bebouwen. Voorts heeft het dagelijks bestuur er ter zitting op gewezen dat een dergelijke uitbreiding afbreuk doet aan het effect van de trapsgewijze bouw van de woningen. Tevens acht het dagelijks bestuur het uit ruimtelijk oogpunt ongewenst dat aan de voorzijde van de woningen ter hoogte van de eerste etage een gesloten gevelwand ontstaat.

2.4.2. Verweerders stemmen blijkens het bestreden besluit in met de weerlegging door het dagelijks bestuur van de deelgemeente van de naar voren gebrachte zienswijzen.

2.4.3. De Afdeling is niet gebleken dat bij de uitwerking de in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels niet in acht zijn genomen. Overigens hebben appellanten dit ook niet gesteld.

Blijkens de stukken zijn de woningen van appellanten grotendeels in blokken van twee gebouwd, waarbij het hoogteverschil trapsgewijs afneemt van drie bouwlagen in het midden tot één bouwlaag aan de linker en rechter zijde van ieder bouwblok. De Afdeling acht niet onaannemelijk dat deze wijze van bouwen een specifiek ruimtelijk effect sorteert. Gelet hierop komt de Afdeling niet onredelijk voor het standpunt van verweerders dat de trapsgewijze opbouw van de woningen dient te worden gehandhaafd en dat aldus de gevraagde uitbreidingsmogelijkheden niet kunnen worden toegestaan. De door appellanten ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat de uitbreiding terugwijkend van de voorgevel kan worden gerealiseerd, zodat geen aaneengesloten voorgevelwand ontstaat, kan niet tot een ander oordeel leiden. Aldus wordt immers niet voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de voor de wijk karakteristieke vormgeving van de woningen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, hoewel het uitwerkingsplan past binnen de regels van het bestemmingsplan, verweerders het uitwerkingsplan in zoverre niettemin in strijd met een goede ruimtelijke ordening hadden moeten achten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 5]

2.5. [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 5] stellen in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, omdat het niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor hun woningen aan de [locatie sub 5].

De bezwaren van appellanten richten zich tegen de aanduiding “1” (maximum aantal bouwlagen) op de plankaart, voorzover deze aan een deel van het bouwvlak van hun woningen is toegekend. Appellanten wensen dat het bouwvlak alhier de aanduiding “2” krijgt, zodat het mogelijk wordt de garage van een opbouw te voorzien. [appellant sub 3] en anderen wensen naast uitbreiding van de tweede bouwlaag een verhoging van de kap.

2.5.1. Het dagelijks bestuur van de deelgemeente heeft bij het toekennen van de aanduidingen “1” aan het desbetreffende gedeelte van de in geding zijnde percelen uit ruimtelijke overwegingen niet ingestemd met de verzoeken van appellanten. Het dagelijks bestuur is van mening dat uitbreiding van de tweede bouwlaag, zoals door appellanten voorgestaan, met zich brengt dat een vrijwel aaneengesloten lange massieve wand ontstaat, hetgeen niet strookt met de transparante opzet die in dit gebied wordt nagestreefd. Voorts heeft het dagelijks bestuur ter zitting naar voren gebracht dat een dergelijke uitbreiding een negatief effect heeft op de bebouwing van de woningen en tuinen aan de [locatie sub 5].

2.5.2. Verweerders stemmen blijkens het bestreden besluit in met de weerlegging door het dagelijks bestuur van de deelgemeente van de naar voren gebrachte zienswijzen.

2.5.3. Ten aanzien van de verhoging van de kap overweegt de Afdeling allereerst dat op grond van de planvoorschriften de hellingshoek van een kap minimaal 20 en maximaal 60 graden bedraagt. Ter zitting is gebleken dat het plan aldus verhoging van de kap in de door [appellanten sub 3] en anderen gewenste zin mogelijk maakt. Het beroep van [appellanten sub 3] en anderen is op dit punt gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag en in zoverre dan ook ongegrond.

2.5.4. De Afdeling stelt vast dat het uitwerkingsplan voor het overige niet voorziet in de door appellanten gewenste uitbreidingsmogelijkheden en overweegt in dit verband als volgt. Blijkens de stukken zijn de woningen van appellanten nagenoeg aaneengesloten, deels in één, deels in twee lagen gebouwd, waarbij het gedeelte dat uit twee bouwlagen bestaat is voorzien van een kap. Appellanten hebben ter zitting naar voren gebracht dat de door hen voorgestane opbouw op de garage terugwijkend van de voorgevelrooilijn zal worden gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat aldus wordt voorkomen dat aan de straatzijde een lange massieve wand ontstaat. Voorts hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling ter zitting ontoereikend gemotiveerd wat het nadelig effect is van de door appellanten gewenste uitbreiding van de tweede bouwlaag voor de achterliggende woningen aan de [locatie sub 5]. Daarbij is in aanmerking genomen dat de afstand tussen deze woningen en de woningen van appellanten blijkens de plankaart 17 meter of meer bedraagt.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voorzover verweerders daarbij hebben goedgekeurd de aanduiding “1” op de plankaart, voorzover het betreft de percelen [locaties], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is in zoverre gegrond. Het beroep van [appellant sub 5] is geheel gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De beroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en van [appellanten sub 8]

2.6. [appellanten sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en [appellanten sub 8] stellen in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, omdat het niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor hun woningen aan de [locaties].

De bezwaren van alle appellanten richten zich in de eerste plaats tegen de aanduiding “2” (maximum aantal bouwlagen) op de plankaart, voorzover deze aan een deel van het bouwvlak van hun woningen is toegekend. Appellanten wensen dat het bouwvlak alhier de aanduiding “3” krijgt, zodat uitbreiding van de derde bouwlaag aan de achterzijde mogelijk wordt.

De bezwaren van [appellanten sub 4] richten zich daarnaast tegen de bestemming “Erven”, voorzover deze is toegekend aan een strook grond grenzend aan de achterzijde van hun woningen. Appellanten wensen dat dit gedeelte van hun perceel de bestemming “Wonen” krijgt, zodat uitbreiding van hun woningen aan de achterzijde mogelijk wordt.

De bezwaren van [appellant sub 7] richten daarnaast tegen de aanduiding “1” (maximum aantal bouwlagen) op de plankaart, voorzover deze aan een deel van het bouwvlak van zijn woning is toegekend. Hij wenst dat het bouwvlak alhier de aanduiding “2” krijgt, zodat het mogelijk wordt de bestaande aanbouw van een tweede bouwlaag te voorzien.

2.6.1. De Afdeling overweegt allereerst dat appellanten tegen het ontwerp van het uitwerkingsplan geen zienswijzen hebben ingediend. Aldus hebben verweerders in het bestreden besluit ten aanzien van de bezwaren van appellanten geen inhoudelijk standpunt kunnen innemen. Nu verweerders voorts hebben afgezien van het uitbrengen van een verweerschrift, heeft de Afdeling zich voor haar oordeel gebaseerd op hetgeen met betrekking tot deze beroepen ter zitting naar voren is gebracht.

Het dagelijks bestuur heeft aangevoerd dat de beroepen van appellanten wegens het niet indienen van een zienswijze niet-ontvankelijk zijn. Dit standpunt miskent echter dat ingevolge artikel 54, tweede lid, onder b, gelezen in samenhang met artikel 56 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het indienen van een zienswijze geen voorwaarde is voor het instellen van beroep.

2.6.2. Blijkens het verhandelde ter zitting wil het dagelijks bestuur van de deelgemeente uit ruimtelijke overwegingen niet tegemoetkomen aan de uitbreidingswensen van appellanten. Zo heeft het dagelijks bestuur naar voren gebracht dat het uitbreiding van de derde woonlaag ongewenst acht vanwege het nadelige effect op de achterliggende woningen aan de [locatie]. Ten aanzien van de uitbreiding aan de achterzijde van de woningen van [appellanten sub 4 en sub 6], heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat deze niet kan worden toegestaan vanwege het verloop van de aan de desbetreffende percelen grenzende sloot.

2.6.3. Ter zitting is niet gebleken dat verweerders niet met dit standpunt van het dagelijks bestuur van de deelgemeente hebben kunnen instemmen.

2.6.4. Ten aanzien van de uitbreiding van de derde bouwlaag hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling ter zitting ontoereikend gemotiveerd waarom een dergelijke uitbreiding vanwege het effect op de achterliggende woningen aan de [locatie] niet kan worden toegestaan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de woningen van appellanten reeds over een derde bouwlaag beschikken, appellanten de uitbreiding 2,5 meter uit de rand van de achtergevel wensen te realiseren en de afstand tot de dichtst bijstaande woning aan de [locatie] 20 meter bedraagt.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voorzover verweerders daarbij hebben goedgekeurd de aanduiding “2” op de plankaart, voorzover het betreft de [locaties], niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en [appellanten sub 8] zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.6.5. Ten aanzien van de uitbreidingen aan de achterzijde van de woningen van [appellanten sub 4 en sub 6] overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens de stukken hanteren verweerders ten aanzien van uitbreidingen aan de achtergevel van woningen als uitgangspunt dat aanbouwen in één bouwlaag, desgewenst over de volle breedte van het pand tot een diepte van maximaal 3 meter zijn toegestaan, mits een minimaal 9 meter diepe achtertuin resteert en tenminste 50% van de oorspronkelijke achtertuin onbebouwd blijft. Hetzelfde geldt voor aanbouwen in meer dan één bouwlaag, met dien verstande dat in dat geval de achtertuin een diepte van minimaal 13 meter dient te behouden. Vervolgens wordt beoordeeld of de ruimtelijke situatie door een dergelijke uitbreiding niet te krap wordt en of een architectonisch verantwoord beeld blijft bestaan.

Blijkens de plankaart beschikt de woning van [appellanten sub 4] over een 17 meter diepe achtertuin, zodat ingevolge het hiervoor uiteengezette uitgangspunt de door hen gewenste aanbouw over de maximaal toegestane diepte van drie meter in beginsel mogelijk is. De Afdeling is van oordeel dat verweerders ter zitting ontoereikend hebben gemotiveerd waarom ten aanzien van de woningen van appellanten van dit uitgangspunt wordt afgeweken. Het verloop van de sloot acht de Afdeling in dit verband geen overtuigend argument. Daarbij is in aanmerking genomen dat blijkens de plankaart de sloot ter hoogte van de woning aan de [locatie] een identiek verloop heeft, maar dat deze woning desondanks aan de achterzijde is uitgebreid in de door [appellanten sub 4] gewenste zin.

De woning van [appellanten sub 6] beschikt blijkens de plankaart over een negen meter diepe achtertuin. Aangrenzend aan de tuin bevindt zich een twee meter brede sloot. Deze sloot behoort tot het perceel van appellanten. Het standpunt van appellanten dat voor de bepaling van de diepte van de tuin de sloot moet worden meegerekend, komt de Afdeling niet onjuist voor. Daarbij is in aanmerking genomen dat blijkens de plankaart aan de achterzijde van de woning aan de [locatie], welke woning over een tuin van gelijke afmeting beschikt als de woning van appellanten, een aanbouw met een diepte van twee meter is gerealiseerd.

De Afdeling stelt vast dat aldus ingevolge het hiervoor uiteengezette uitgangspunt, bij de woning van [appellanten sub 6] in beginsel een aanbouw met een diepte van maximaal twee meter mogelijk is. Verweerders hebben ter zitting ontoereikend gemotiveerd waarom ten aanzien van de woningen van appellanten van dit uitgangspunt wordt afgeweken. Ook in dit geval acht de Afdeling het verloop van de sloot geen overtuigend argument, gelet op de reeds aanwezige aanbouw bij de woning aan de [locatie], waar de sloot een identiek verloop heeft.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voorzover verweerders daarbij ten aanzien van de [locaties] hebben goedgekeurd het plandeel met de bestemming “Erven”, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellanten sub 4] en [appellanten sub 6] zijn ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.6.6. Voorts hebben verweerders ter zitting ontoereikend gemotiveerd waarom uitbreiding van de tweede bouwlaag van de woning van appellant Haanappel niet kan worden toegestaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voorzover verweerders daarbij hebben goedgekeurd de aanduiding “1” op de plankaart, voorzover het betreft het perceel [locatie], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 7] is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De beroepen van [appellant sub 9], [appellant sub 10] en van [appellanten sub 11]

2.7. [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellanten sub 11] stellen in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, omdat het niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor hun woningen aan de [locaties]. Hun bezwaren richten zich in de eerste plaats tegen de bestemming “Erven”, voorzover deze is toegekend aan een strook grond grenzend aan de achterzijde van hun woningen. Appellanten wensen dat dit gedeelte van hun perceel de bestemming “Woondoeleinden” krijgt, zodat het mogelijk wordt de achterzijde van hun woningen te voorzien van een aanbouw.

Voorts richten de bezwaren zich tegen de nadere aanwijzing “I” op de plankaart. Krachtens deze aanwijzing zijn op de gronden met de bestemming “Erven” bijgebouwen toegestaan met een maximum oppervlakte van 6 m², terwijl appellanten op hun perceel een schuur willen bouwen van 10 m².

Tot slot richten de bezwaren zich tegen de aanduiding “2” (maximum aantal bouwlagen) op de plankaart, voorzover deze aan een deel van het bouwvlak van hun woningen is toegekend. Appellanten wensen dat het bouwvlak alhier de aanduiding “3” krijgt, zodat het mogelijk wordt hun woningen uit te breiden met een derde bouwlaag. De gewenste uitbreiding betreft een enkele meters van de voorgevel terugwijkende opbouw. Appellanten wijzen er op dat bij enkele identieke tussenwoningen aan de [locatie] en ook bij vergelijkbare woningen elders in de wijk een dergelijke opbouw is toegestaan.

2.7.1. Het dagelijks bestuur heeft bij het toekennen van de bestemming “Erven”, voorzien van de nadere aanwijzing “I” en de aanduiding “2” aan de desbetreffende gedeelten van de in geding zijnde percelen uit ruimtelijke overwegingen niet ingestemd met de wensen van appellanten. Het dagelijks bestuur wijst erop dat de afstand van 19 meter tussen de gevels van de bouwblokken leidt tot krappe binnenterreinen. Deze situatie staat naar zijn mening niet toe dat aan de achterzijde van de woningen een aanbouw in zelfs maar één laag wordt gerealiseerd. Om diezelfde reden wenst het evenmin vergroting van de schuur tot 10 m² toe te staan.

Voorts stelt het dagelijks bestuur zich op het standpunt dat de combinatie van oost-west lopende blokken, waarbij de bebouwing gedurende het grootste deel van de dag de bezonning bepaalt van de ten noorden daarvan gelegen woningen, bebouwde koppen en de relatief geringe afstand tussen de blokken er toe leidt dat uitbreiding van de woningen met een derde woonlaag evenmin kan worden toegestaan. Het dagelijks bestuur wijst erop dat de woningen aan de Nehrusingel aan de voorzijde (schaduwzijde) een ruimer profiel hebben dan de daarachter gelegen woningen van appellanten en dat om die reden bij deze woningen een derde bouwlaag mogelijk is gemaakt.

2.7.2. Verweerders stemmen blijkens het bestreden besluit in met de weerlegging door het dagelijks bestuur van de deelgemeente van de naar voren gebrachte zienswijzen.

2.7.3. De Afdeling stelt aan de hand van de plankaart vast dat de woningen van appellanten beschikken over een ongeveer 15 meter diepe achtertuin, zodat ingevolge het hiervoor onder 2.6.5. uiteengezette uitgangspunt in beginsel een aanbouw in één bouwlaag met een diepte van maximaal drie meter is toegestaan. Verweerders achten een dergelijke uitbreiding in dit geval onwenselijk, vanwege de relatief krappe situatie op het binnenterrein. Gelet op de afstand van 19 meter tussen de gevels van de bouwblokken, komt de Afdeling dit standpunt niet onredelijk voor. In het verlengde hiervan acht de Afdeling evenmin onredelijk dat om diezelfde reden uitbreiding van de schuur tot 10 m² niet mogelijk is. De beroepen van [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellanten sub 11] zijn in zoverre ongegrond.

2.7.4. Ten aanzien van de uitbreiding van de woningen met een derde bouwlaag overweegt de Afdeling als volgt.

Appellanten hebben met betrekking tot het standpunt van verweerders dat, gelet op de schaduwwerking en de relatief geringe afstanden tussen de bouwblokken, uitbreiding van de woningen met een derde bouwlaag niet wenselijk is, gewezen op vergelijkbare situaties elders in de wijk, waaronder de woningen aan de straten tussen de [locatie] en de [locatie], die wel uit drie bouwlagen bestaan.

De Afdeling stelt vast dat de bouwblokken aan deze straten, evenals die van appellanten, in oost-west richting en evenwijdig aan elkaar zijn gebouwd, waarbij de voorzijde van iedere woning grenst aan de tuin van de woning van het naast gelegen bouwblok, slechts gescheiden door de openbare weg of een pad. De afstand tussen deze bouwblokken is echter kleiner dan bij de woningen van appellanten en bedraagt volgens de plankaart 15 meter.

Verweerders hebben ontoereikend gemotiveerd waarom bij de woningen aan de straten tussen de [locatie] wel drie bouwlagen zijn toegestaan en bij de woningen van appellanten niet, terwijl de afstand tussen de bouwblokken aan de [locatie] enkele meters ruimer is. Voorzover verweerders in dit verband hebben gewezen op de schaduwwerking, hebben appellanten zich aan de hand van foto’s op het standpunt gesteld dat de door hen gewenste opbouw niet of nauwelijks gevolgen heeft voor de bezonning van de achterliggende tuinen en woningen. Daarbij hebben zij onder meer als voorbeeld gesteld de woning aan de kop van hun bouwblok, die reeds van een dergelijke opbouw is voorzien. Verweerders hebben niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van appellanten voor onjuist moet worden gehouden.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voorzover verweerders daarbij hebben goedgekeurd de aanduiding “2” op de plankaart, voorzover het betreft de percelen [locaties], niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellant sub 9], [appellant sub 10] en van [appellanten sub 11] zijn op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 12]

2.8. [appellant sub 12] stellen in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, omdat het niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden van hun woningen aan de [locaties].

De bezwaren zijn gericht tegen de aanduiding “2” (maximum aantal bouwlagen) op de plankaart, voorzover deze aan een deel van het bouwvlak van deze woningen is toegekend. Appellanten wensen dat dit deel van het bouwvlak wordt voorzien van de aanduiding “3”, zodat de derde bouwlaag van deze woningen ter plaatse van het huidige dakterras kan worden uitgebreid tot aan de gevelwand aan de straatzijde. Appellanten betogen dat op grond van de notitie “Beleidsregels voor aanbouwen/bijgebouwen bij woningen in de globale, uit te werken bestemming “Wonen” van het bestemmingsplan Prinsenland” een dergelijke uitbreiding was toegestaan en stellen dat het uitwerkingsplan ten opzichte van deze notitie op dit punt een ongeoorloofde inperking van rechten inhoudt.

2.8.1. Het dagelijks bestuur van de deelgemeente heeft bij het toekennen van de aanduiding “2” aan het desbetreffende gedeelte van de in geding zijnde percelen uit ruimtelijke overwegingen niet ingestemd met de wens van appellanten. Het dagelijks bestuur stelt zich in dit verband op het standpunt dat uitbreiding van de derde bouwlaag tot aan de voorgevelrooilijn met zich brengt dat aan de straatzijde een massieve gevelwand ontstaat, waardoor de architectonische uitstraling van de woningen verdwijnt. Naar zijn mening wordt aldus ook het stratenprofiel te krap. Volgens het dagelijks bestuur dient voor deze woningen te worden vastgehouden aan het uitgangspunt dat de opbouw minimaal 2,5 meter moet terugliggen uit de voorgevel. Naar zijn mening is er geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Tot slot bestrijdt het dagelijks bestuur het standpunt van appellanten dat de door hen gewenste uitbreiding op grond van genoemde notitie was toegestaan. Naar zijn mening is er op dit punt sprake van voortzetting van bestaand beleid.

2.8.2. Verweerders stemmen blijkens het bestreden besluit in met de weerlegging door het dagelijks bestuur van de deelgemeente van de naar voren gebrachte zienswijzen.

2.8.3. De Afdeling stelt vast dat het uitwerkingsplan niet voorziet in de door appellanten gewenste uitbreidingsmogelijkheden.

Het door verweerders gehanteerde uitgangspunt dat de door appellanten gewenste opbouw minimaal 2,5 meter van de voorgevel dient te blijven, acht de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling komt in dit verband niet onaannemelijk voor het standpunt van verweerders dat door een dergelijke uitbreiding aan de voorzijde een massieve gevelwand ontstaat, die het stratenprofiel en het architectonisch beeld van de woningen nadelig beïnvloedt. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die in dit geval afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. In dit verband wordt opgemerkt dat niet is gebleken dat de notitie “Beleidsregels voor aanbouwen/bijgebouwen bij woningen in de globale, uit te werken bestemming “Wonen” van het bestemmingsplan Prinsenland” dan wel de bijbehorende kaart die appellanten ter zitting hebben getoond de door hen gewenste uitbreiding mogelijk maakte.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, hoewel het uitwerkingsplan past binnen de regels van het bestemmingsplan, verweerders het uitwerkingsplan in zoverre niettemin in strijd met een goede ruimtelijke ordening hadden moeten achten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het uitwerkingsplan.

Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.

Proceskosten

2.9. Verweerders dienen ten aanzien van [appellant sub 5], [appellanten sub 4], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 3], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellanten sub 11] en [appellanten sub 8] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellanten sub 11] gedeeltelijk en de beroepen van [appellant sub 5], [appellanten sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en [appellanten sub 8] geheel gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 8 mei 2001, kenmerk DRGG/ARB/01/1823A, voorzover verweerders daarbij hebben goedgekeurd:

a. de aanduiding “1” op de plankaart, voorzover het betreft de [locaties];

b. de aanduiding “2” op de plankaart, voorzover het betreft de [locaties];

c. de plandelen met de bestemming “E” (Erven), zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellanten sub 11] voor het overige en de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 12] geheel ongegrond;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door [appellant sub 5], [appellanten sub 4], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1656,82; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland als volgt te worden betaald:

1. aan [appellant sub 5] een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. aan [appellanten sub 4] en [appellanten sub 6] een bedrag van € 690,82, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

3. aan [appellant sub 7] een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellanten sub 11], [appellant sub 5], [appellanten sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 7] en [appellanten sub 8] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. M. Oosting en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

196-363.