Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2519

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200005523/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200005523/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5] en anderen, wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. Burgemeester en wethouders van Aalburg,

8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2000 heeft de gemeenteraad van Aalburg, op voorstel van burgemeester en wethouders van Aalburg van 28 maart 2000, vastgesteld het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999”. Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aangehecht.

Verweerders hebben bij besluit van 7 november 2000, nr. 681764/716054, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 29 november 2000, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2000, appellanten sub 2 bij brief van 15 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2000, appellanten sub 3 bij brief van 21 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2000, appellanten sub 4 bij brief van 29 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2001, appellanten sub 5 bij brief van 27 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2000, appellant sub 6 bij brief van 2 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2001, appellanten sub 7 bij brief van 19 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2000, en appellante sub 8 bij brief van 15 december 2000, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2000, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2002, waar appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. R. Stiekema, advocaat te Eindhoven, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. S.L.M. van Haaren, gemachtigde, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door mr. drs. J.P. de Man, advocaat te Rosmalen, appellanten sub 5, in de persoon van [gemachtigde], appellant sub 6, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellanten sub 7, vertegenwoordigd door G. Verweij, gemachtigde, en appellante sub 8, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door B.C. Coolen, ambtenaar van de provincie Noord-Brabant, zijn verschenen. Appellanten sub 1 zijn niet verschenen en hebben zich niet doen vertegenwoordigen.

Voorts is namens de gemeenteraad van Aalburg, G. Verweij, ambtenaar van de gemeente Aalburg, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het buitengebied van de gemeente Aalburg. Met het plan wordt beoogd voor het gebied een actuele planologische regeling te geven. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de gemeenteraad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.4. De Afdeling overweegt eerst het volgende.

Ingevolge artikel 1, onder 1, van de planvoorschriften wordt onder het plan verstaan het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1999”, vervat in de plankaart en in deze voorschriften met de daarbij behorende ontwikkelingskaart. Ingevolge het bepaalde onder 2 van dit artikel wordt onder de plankaart verstaan de van het plan deel uitmakende en als zodanig gewaarmerkte plankaart met het nummer “32-101-20”. De plankaart die de gemeenteraad blijkens het daarop aangebrachte stempel heeft vastgesteld en die verweerders vervolgens blijkens het daarop aangebrachte stempel bij het bestreden besluit hebben goedgekeurd, heeft echter het nummer “32-101-26”. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de plankaart waarnaar in de planvoorschriften wordt verwezen deel uitmaakt van een ander bestemmingsplan, namelijk het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” van de gemeente Aalburg. Uit artikel 1, onder 2 van de planvoorschriften volgt dat de vastgestelde en goedgekeurde plankaart met het nummer “32-101-26” geen deel uitmaakt van het plan.

2.4.1. Appellanten hebben onder andere bezwaren aangevoerd tegen de aan hun of andermans percelen toegekende bestemmingen en de mogelijkheden of onmogelijkheden die daaruit voortvloeien. De Afdeling ziet aanleiding de beroepen mede te verstaan als zijnde gericht tegen de goedkeuring door verweerders van het nummer “32-101-20” in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften, nu als gevolg van die goedkeuring niet kan worden vastgesteld welke bestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied en welke voorschriften daarop van toepassing zijn.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de gemeenteraad heeft beoogd de vastgestelde plankaart met het nummer “32-101-26” deel te laten uitmaken van het plan. Door goedkeuring te verlenen aan het nummer “32-101-20” genoemd in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn gegrond, voorzover deze geacht worden mede gericht te zijn tegen de goedkeuring van het nummer “32-101-20” in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding zelfvoorziend alsnog goedkeuring te onthouden aan het nummer “32-101-20” in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften. Dit brengt met zich dat de plankaart met het nummer “32-101-26” deel uit maakt van het bestreden plan.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.5. [appellanten sub 3] voeren aan dat verweerders goedkeuring hebben onthouden aan een gedeelte van de planvoorschriften, maar dit niet in het dictum van het bestreden besluit hebben vermeld.

2.5.1. Artikel 4, derde lid, onder b, van de planvoorschriften bevat de zinsnede “tenzij het betreft tunnels die langer dan acht maanden in elk kalenderjaar voorkomen.”. Verweerders hebben deze zinsnede met blauw doorgehaald en in de marge voorzien van de aanduiding “g.o.”. Ter zitting is gebleken dat zij hiermee hebben beoogd goedkeuring te onthouden aan de desbetreffende zinsnede. In het dictum van het bestreden besluit is dit echter niet vermeld. De Afdeling stelt vast dat aan de doorhaling en de aanduiding “g.o.” derhalve geen betekenis toekomt. Dit betekent dat verweerders goedkeuring hebben verleend aan het desbetreffende gedeelte van de planvoorschriften. Het beroep mist gelet hierop feitelijke grondslag.

De Afdeling verstaat dit onderdeel van het beroep als zijnde gericht tegen een plandeel waaraan verweerders goedkeuring hebben verleend.

Ingevolge artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan tegen een besluit van gedeputeerde staten inzake de goedkeuring van een bestemmingsplan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot goedkeuring kan het beroep worden ingesteld door degene die zich tijdig op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, tot gedeputeerde staten heeft gewend, alsmede door een belanghebbende die aantoont dat hij daartoe redelijkerwijs niet in staat is geweest. Geen van deze omstandigheden doet zich hier voor.

Gelet op het vorenstaande kunnen appellanten, wat betreft dit onderdeel van hun beroep, aan artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, geen recht tot het instellen van beroep ontlenen. Het beroep van appellanten is in zoverre niet-ontvankelijk.

Formele bezwaren

2.6. [appellanten sub 3] voeren aan dat in het bestreden besluit niet duidelijk is vermeld dat verweerders de gemeenteraad overeenkomstig artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de mogelijkheid van overleg hebben geboden.

2.6.1. De tekst van het bestreden besluit bevat de zin “Het gemeentebestuur heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt door PM overleg d.d. PM dan wel een schriftelijke reactie d.d. PM. Wij zullen de bevindingen van dit overleg vermelden onder PM.”. De Afdeling volgt appellanten in hun stellingname dat deze zin niet duidelijk is. Gebleken is evenwel dat verweerders de gemeenteraad overeenkomstig artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de mogelijkheid van overleg hebben geboden.

In hetgeen appellanten in dit verband naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat aan de totstandkoming van het goedkeuringsbesluit dermate bezwaren kleven dat het daarom niet in stand kan blijven. Dit bezwaar treft geen doel.

2.7. [appellanten sub 3] stellen tevens dat het bestreden besluit is ondertekend door een persoon die daartoe niet bevoegd zou zijn.

2.7.1. Het bestreden besluit is ondertekend door een ambtenaar van de provincie Noord-Brabant. De Afdeling stelt op grond van het verhandelde ter zitting en op grond van door verweerders overgelegde stukken vast, dat ten tijde van het bestreden besluit de bevoegdheid tot ondertekening door deze ambtenaar niet in een schriftelijk besluit van verweerders is vastgelegd. Vaststaat evenwel dat het bestreden besluit daadwerkelijk door verweerders is genomen. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding het gebrek dat op dit punt aan het bestreden besluit kleeft met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden daardoor zijn benadeeld. Dit bezwaar treft geen doel.

Ten aanzien van de zaak voor het overige.

2.8. [appellanten sub 1] zijn betrokken bij de exploitatie van een op te richten paardensportcentrum ten westen van de Berenhoekstraat in Wijk en Aalburg. Zij stellen dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd omdat daarin niet is voorzien in overnachtingsmogelijkheden bij het paardensportcentrum. Voorts stellen zij dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan artikel 18, tweede lid, onder f, en onder g, van de planvoorschriften, waarin respectievelijk is bepaald dat de maximale inhoud van de bedrijfswoning 600 m3 mag bedragen en dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen bij een bedrijfswoning niet meer dan 80 m2 mag bedragen. Appellanten wensen ruimere bouwmogelijkheden.

Tevens voeren zij aan dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om met vrijstelling een tweede bedrijfswoning op te richten.

2.8.1. Bij de vaststelling van het plan heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat het bieden van overnachtingsmogelijkheden in strijd komt met het gemeentelijke kampeerbeleid. Onder verwijzing naar het streekplan Noord-Brabant (1992) (hierna: het streekplan) heeft de gemeenteraad geen aanleiding gezien de inhoud van de bedrijfswoning te verruimen en evenmin aanleiding gezien een tweede bedrijfswoning toe te laten. In de zienswijze van appellanten heeft de gemeenteraad wel aanleiding gezien de toegelaten oppervlakte van de bijgebouwen te verruimen en vast te stellen op maximaal 80 m2 .

2.8.2. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad en geen aanleiding gezien de bestreden planregeling in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Verweerders hebben zich ten aanzien van de gewenste overnachtingsmogelijkheden op het standpunt gesteld dat deze het risico van permanent verblijf met zich brengen, hetgeen zij ter plaatse niet wenselijk vinden. Verweerders hebben bij hun toetsing voorts in aanmerking genomen dat het provinciaal beleid een bedrijfswoning in het buitengebied toelaat van maximaal 750 m3 en dat het de gemeenteraad vrijstaat voor bedrijfswoningen in het buitengebied een kleinere inhoud vast te stellen. Voorts hebben zij erop gewezen dat het streekplan onder bijzondere omstandigheden en uitsluitend bij agrarische bedrijven een tweede bedrijfswoning toelaat. Volgens verweerders kan het bedrijf van appellanten niet als een agrarisch bedrijf worden aangemerkt. Ten aanzien van de bijgebouwen hebben verweerders aansluiting gezocht bij het streekplan, dat bij burgerwoningen in het buitengebied een oppervlakte van maximaal 70 m2 toelaat.

2.8.3. De gemeenteraad heeft zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan op het standpunt gesteld dat het niet gewenst is ter plaatse overnachtingsmogelijkheden te bieden, gelet op de relatief grote invloed daarvan op de omgeving. Bovendien is intensivering van de recreatieve activiteiten in strijd met de uitgangspunten van de nota “Kampeerbeleid in de gemeente Aalburg” uit 1997, zo blijkt uit het vaststellingsbesluit. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders in redelijkheid het standpunt van de gemeenteraad in deze kunnen onderschrijven. De Afdeling acht het niet onjuist, mede gelet op het deskundigenbericht, dat verweerders bij hun toetsing mede in aanmerking hebben genomen dat ter plaatse permanente vormen van recreatief verblijf kunnen ontstaan, indien het plan de door appellanten gewenste overnachtingsmogelijkheden zou toelaten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan, nu daarin geen overnachtingsmogelijkheden op de desbetreffende gronden zijn toegelaten, in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.8.4. De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat de inhoudsmaat die het streekplan geeft voor bedrijfswoningen in het buitengebied een maximummaat betreft en dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan van een kleinere inhoud mag uitgaan. Voorts hebben verweerders op goede gronden de in het plan vervatte maximale oppervlakte voor bijgebouwen bij een bedrijfswoning in het buitengebied kunnen aanvaarden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering van het paardensportcentrum van dien aard is, dat verweerders de in het plan toegelaten inhoud van de bedrijfswoning en van de bijgebouwen, voorzover betrekking hebbend op het bestreden plandeel, in strijd met een goede ruimtelijke ordening hadden moeten achten.

Het streekplan laat uitsluitend onder bijzondere omstandigheden en uitsluitend bij agrarische bedrijven een tweede bedrijfswoning toe. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijkheid.

Daargelaten de vraag of een tweede bedrijfswoning in de toekomst noodzakelijk is, hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling, mede gelet op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 26 juni 1997, kunnen aannemen dat het bedrijf van appellanten niet kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf. Verweerders hebben derhalve terecht het standpunt ingenomen dat het toelaten van een tweede bedrijfswoning niet in overeenstemming is met het streekplan. In hetgeen appellanten in dit verband naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die een afwijking van het streekplanbeleid rechtvaardigen.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestreden plandeel. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.9. [appellanten sub 2] stellen dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd, omdat aan de gronden aan de [locatie] ten onrechte de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” met de aanduiding “openheid” is toegekend. Appellanten betwisten de landschappelijke waarde van de desbetreffende gronden. Zij stellen dat de gronden overeenkomstig gedane toezeggingen bestemd moeten worden voor parkeerdoeleinden, zodat de ter plaatse gevestigde supermarkt over voldoende parkeergelegenheid beschikt.

2.9.1. De gemeenteraad heeft de bestreden bestemming toegekend om aantasting van het buitengebied te voorkomen.

2.9.2. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad en geen aanleiding gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij hebben daarbij in aanmerking genomen dat de supermarkt feitelijk beschikt over voldoende parkeerplaatsen en dat appellanten zich ten onrechte beroepen op toezeggingen die van gemeentewege zijn gedaan.

2.9.3. Voorzover appellanten zich beroepen op toezeggingen van de zijde van de gemeente, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een wethouder of een ambtenaar, maar bij de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerders bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het bestreden plandeel te onthouden.

2.9.3.1. In het voorliggende plan is aan de gronden waarop de supermarkt is gevestigd de bestemming “Detailhandel”, code D2, toegekend. Blijkens de planvoorschriften zijn de gronden daarmee bestemd voor een supermarkt, uitsluitend op de begane grond, en voor de daarbij behorende voorzieningen waaronder begrepen parkeerplaatsen en tuinen. De gronden, waarop het desbetreffende plandeel betrekking heeft, hebben blijkens het deskundigenbericht een oppervlakte van ongeveer 1765 m2. Binnen dit bestemmingsvlak is het bedrijfsgebouw van de supermarkt gesitueerd, dat blijkens het deskundigenbericht een oppervlakte heeft van 1250 m2. De niet bebouwde gronden van het plandeel kunnen blijkens de planvoorschriften worden gebruikt voor parkeerdoeleinden. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het plandeel met de bestemming “Detailhandel”, code D2, feitelijk ruimte biedt voor de inrichting van 16 parkeerplaatsen en dat deze capaciteit voor de desbetreffende supermarkt, niet voldoende is.

Verweerders hebben bij hun toetsing van het bestreden plandeel in aanmerking genomen dat de supermarkt feitelijk over 60 parkeerplaatsen beschikt omdat klanten van de supermarkt zouden kunnen parkeren op het parkeerterrein van de naastgelegen groothandel Caliber Europe B.V. De gronden waarop het desbetreffende bedrijf is gevestigd hebben de bestemming “Bedrijven”, code B7, gekregen. Uit artikel 14, eerste lid, onder a, volgt dat deze gronden zijn bestemd voor een groothandel in audio-apparatuur, automaterialen en telecommunicatiemiddelen en voor daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen parkeerplaatsen en tuinen. Artikel 14, tweede lid, onder a, bepaalt dat onder bedrijven als bedoeld in het eerste lid, niet zijn begrepen detailhandelsbedrijven.

De Afdeling stelt vast dat binnen het bestemmingsvlak dat betrekking heeft op de gronden van Caliber Europe B.V. uitsluitend parkeervoorzieningen ten behoeve van het desbetreffende bedrijf zijn toegestaan. De Afdeling ziet aanleiding te oordelen dat verweerders door niettemin deze parkeergelegenheid bij hun toetsing in aanmerking te nemen bij de voorbereiding van het bestreden besluit op dit punt niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen hebben vergaard. Het beroep van appellanten is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

2.9.4. Voorts voeren [appellanten sub 2] aan dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd omdat daarin niet is voorzien in voldoende uitbreidingsmogelijkheden voor de aan de [locatie 1] en [locatie 2] gevestigde groothandel Caliber Europe B.V. Tevens zijn de detailhandelsactiviteiten van de groothandel ten onrechte niet als zodanig bestemd, aldus appellanten.

2.9.5. De gemeenteraad heeft zich bij de vaststelling van het plan op het standpunt gesteld dat de uitbreidingsmogelijkheden die aan de groothandel in het voorliggende plan zijn toegekend, in overeenstemming zijn met het provinciale beleid. Ten aanzien van de detailhandelsactiviteiten heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat het beleid van de gemeente is gericht op concentratie van detailhandel in het centrum van Wijk en Aalburg en dat het als zodanig bestemmen van de detailhandelsactiviteiten daarmee niet in overeenstemming is. Voorts heeft de gemeenteraad erop gewezen dat de detailhandelsactiviteiten op grond van het voorheen geldende plan niet waren toegelaten.

2.9.6. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad en geen aanleiding gezien in zoverre goedkeuring te onthouden aan een deel van het plan.

2.9.7. Appellanten exploiteren op het perceel [locatie 2] onder de naam Caliber Europe B.V. een groothandel in automaterialen, telecommunicatiemiddelen en audioapparatuur voor auto’s. Uit het deskundigenverslag kan worden afgeleid dat de feitelijke omvang van de bedrijfsbebouwing 700 m2 bedraagt. De planvoorschriften laten ter plaatse een bedrijfsgebouw toe met een omvang van 780 m2. Voorts mag het bedrijf op grond van de planvoorschriften maximaal 1250 m2 van een naastgelegen gebouw gebruiken voor kantoor- en opslagdoeleinden.

Het streekplanbeleid met betrekking tot niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid is erop gericht dergelijke bedrijvigheid uit het buitengebied te weren. De inrichting van het buitengebied is hierop niet toegesneden en bovendien moet het buitengebied zijn landelijke karakter behouden. Derhalve dienen deze activiteiten te worden gesitueerd op bedrijventerreinen. Bestaande niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijven waarvoor de overheid geen actief saneringsbeleid nastreeft, dienen in een positieve bestemming te worden vervat. Daarbij dienen in het algemeen redelijke uitbreidingsmogelijkheden te worden gewaarborgd. Verweerders hanteren als uitgangspunt een percentage van 10 tot 15 van de bestaande bebouwing. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk. De Afdeling is van oordeel dat verweerders er op goede gronden vanuit zijn gegaan dat hier sprake is van een niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verdergaande uitbreiding dan in het bestemmingsplan is voorzien niet in overeenstemming is met het streekplan. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die in dit geval een afwijking van het streekplan rechtvaardigen.

Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestreden plandeel. Het beroep van

[appellanten sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.9.7.1. Verweerders hebben het beleid van de gemeente om detailhandel in het centrum van Wijk en Aalburg te concentreren in overeenstemming geacht met het provinciaal beleid zoals vastgelegd in de nota Detailhandel (maart 1995). Het beleid om detailhandel in het centrum van Wijk en Aalburg te concentreren acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan, nu daarin geen detailhandelsactiviteiten op de desbetreffende gronden zijn toegelaten, in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De gronden waarop het bestreden plandeel betrekking heeft liggen in het buitengebied. De enkele omstandigheid dat sprake is van een bestaande situatie kan in dit geval niet zonder meer aanleiding zijn om dit gebruik als zodanig te bestemmen, omdat het gebruik van de gronden voor detailhandelsactiviteiten is ontstaan in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.10. [appellanten sub 3] stellen dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd omdat daarin niet is voorzien in een bouwvlak op hun gronden aan Het Hakkevelt.

Voorts hebben zij bezwaar tegen het aanlegvergunningvereiste voor het beplanten met houtopstanden dat geldt voor hun gronden. Hierdoor worden zij in het telen van onder andere heesters en coniferen ernstig belemmerd.

2.10.1. De gemeenteraad heeft het gewenste bouwvlak niet toegekend, omdat het zwaartepunt van de activiteiten niet-agrarisch zal zijn.

Het aanlegvergunningvereiste voor het planten met houtopstanden in open gebieden acht hij in overeenstemming met het provinciaal beleid.

2.10.2. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad en hebben geen aanleiding gezien het bestreden plandeel en de bestreden planregeling in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.10.3. Zoals hiervoor is weergegeven is het streekplanbeleid erop gericht verdere verstening van het buitengebied te voorkomen door nieuwvestiging van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid niet toe te staan. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk. Toekenning van een bouwvlak ten behoeve van de oprichting van een bedrijf zoals dat appellanten ten tijde van het bestreden besluit voor ogen stond, is in strijd met dit beleid. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gelet op het deskundigenbericht verweerders het ter plaatse op te richten bedrijf, een verplaatsing van Holland Garden Plants B.V., hebben kunnen aanmerken als nieuwvestiging van niet-agrarische activiteiten, omdat de activiteiten van dit bedrijf grotendeels bestaat uit niet-agrarische activiteiten in de vorm van handel en export van onder meer planten. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die in dit geval een afwijking van het streekplan rechtvaardigen. Geen bijzondere omstandigheid is gelegen in de vestiging van bedrijfsruimten aan de Kromme Nol, de Parallelweg en de Bosweg. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze geen soortgelijke gevallen betreffen. Dat appellanten inmiddels beogen Impulse Plants B.V., een bedrijf dat uitsluitend agrarische activiteiten betreft, naar hun gronden aan de Hakkevelt te verplaatsen, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze ontwikkeling dateert van na het nemen van het bestreden besluit.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestreden plandeel. Dit beroepsonderdeel van [appellanten sub 3] is ongegrond.

2.10.4. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften geldt op en in gronden met de aanduiding “(o) openheid” een aanlegvergunningplicht voor de werkzaamheid e.: het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden. De Afdeling stelt vast dat deze omschrijving van de werkzaamheid ook betrekking heeft op het planten van kweekgoed van houtopstanden als heesters en coniferen. Verder is in tweede lid van artikel 27 het planten van kweekgoed van houtopstanden niet als uitzondering vermeld. Voor het planten van kweekgoed van houtopstanden is dan ook een aanlegvergunning vereist. Ter zitting hebben zowel verweerders als de gemeenteraad gesteld dat dit met de regeling van een aanlegvergunning voor het planten van houtopstand niet is beoogd.

Nu verweerders een ander standpunt innemen dan in het bestreden besluit en niet is gebleken dat de feiten en/of omstandigheden nadien gewijzigd zijn, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat verweerders bij de voorbereiding van het bestreden besluit op dit punt niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen hebben vergaard. Het beroep van appellanten is voor dit onderdeel gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan de betrokken planregeling.

2.11. [appellanten sub 4] en burgemeester en wethouders van de gemeente Aalburg kunnen zich niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan artikel 14, eerste lid, schema, de code B6, van de planvoorschriften. Hierdoor is ten onrechte geen loonwerkbedrijf aan de Meeuwensedijk toegestaan, aldus appellanten.

2.11.1. Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan artikel 14, eerste lid, schema, code B6, van de planvoorschriften, omdat zij dit voorschrift in strijd achten met het provinciaal beleid. Zij stellen zich op het standpunt dat een loonwerkbedrijf een niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf is en dat het bebouwingslint aan de Meeuwensedijk niet kan worden aangemerkt als een kernrandzone.

2.11.2. Zoals hiervoor is weergegeven is het streekplanbeleid erop gericht verdere verstening van het buitengebied te voorkomen door nieuwvestiging van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid niet toe te staan. De vestiging van met de landbouw verbonden bedrijvigheid dient plaats te vinden in of aan de randen van de kernen. Verder is blijkens de Partiële herziening van het Streekplan Noord-Brabant 1998 vestiging van deze bedrijvigheid onder voorwaarden toegestaan in een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie gelegen in een bebouwingsconcentratie. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

Gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat verweerders het loonwerkbedrijf hebben kunnen aanmerken als een aan de landbouw verbonden en derhalve als een niet-functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid. De in de voornoemde planregeling voorziene vestiging van het loonwerkbedrijf is in strijd met het beleid als neergelegd in het streekplan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken, waaronder de ontwikkelingskaart, blijkt dat de Meeuwensedijk niet is aan te merken als een kernrandzone. Verder overweegt de Afdeling dat de voornoemde planregeling niet in overeenstemming is met het beleid als neergelegd in de partiële herziening. Weliswaar is de Meeuwensedijk op de ontwikkelingskaart als bebouwingslint aangeduid en derhalve volgens de partiële herziening een bebouwingsconcentratie, maar er bevindt zich op het perceel geen vrijkomende agrarische bebouwing.

In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Geen bijzondere omstandigheid is gelegen in de verplaatsing van het bedrijf vanuit de bebouwde kom van Drongelen, omdat niet is gebleken dat een geschikte locatie die voldoet aan het provinciaal beleid niet beschikbaar zou zijn. Dat het loonwerkbedrijf er sinds 1996 is gevestigd kan evenmin als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Deze vestiging heeft plaatsgevonden in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan en verweerders hebben reeds in 1996 geweigerd de vestiging van het loonwerkbedrijf ter plaatse mogelijk te maken door afgifte van een verklaring van geen bezwaar.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben onthouden aan artikel 14, eerste lid, schema, de code B6, van de planvoorschriften. De beroepen van [appellanten sub 4] en van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalburg zijn in zoverre ongegrond.

2.12. [appellanten sub 5] en anderen en [appellant sub 6] stellen dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd voorzover daardoor de vestiging van twee intensieve veehouderijen aan de Elsdijk is toegestaan. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat de vestigingsmogelijkheden in strijd zijn met het streekplan en dat ten onrechte geen milieueffectrapport is gemaakt.

2.12.1. De gemeenteraad heeft de vestigingsmogelijkheden in het plan opgenomen omdat twee bouwvergunningen zijn verleend voor de vestiging van twee intensieve veehouderijen op de desbetreffende gronden.

2.12.2. Verweerders hebben het standpunt van de gemeenteraad onderschreven en in de bedenkingen van appellanten geen aanleiding gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Verweerders hebben bij hun toetsing van het bestreden plandeel aan de verleende bouwvergunningen een doorslaggevend gewicht toegekend. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat de door appellanten aangevoerde bezwaren, waaronder de door verweerders erkende strijdigheid met het streekplan, niet zwaar genoeg wegen om de bebouwing en het gebruik dat op grond van de bouwvergunningen is toegelaten, niet als zodanig in het plan op te nemen.

2.12.3. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet Milieubeheer (hierna: de wet) worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport (hierna: MER) moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999, Stb. 1999, 224, (hierna: het Besluit m.e.r. 1994) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge onderdeel C 14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994, voorzover hier van belang, dient ten behoeve van de oprichting van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens, indien die activiteit betrekking heeft op een inrichting van meer dan 3000 mestvarkens, een MER te worden opgesteld. Ingevolge genoemde Bijlage dient een MER te worden gemaakt ten behoeve van de oprichting van een inrichting als hiervoor genoemd, indien er sprake is van een besluit waarop artikel 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en Afdeling 13.2 van de Wet Milieubeheer van toepassing zijn. De Afdeling stelt vast dat de verplichting voor het opstellen van een MER in dit geval is verbonden aan de vergunning op grond van de Wet milieubeheer. De stelling van appellanten dat ten behoeve van het bestemmingsplan een MER had moeten worden gemaakt, is derhalve onjuist.

2.12.4. Burgemeester en wethouders van Aalburg hebben bij besluit van 13 juli 1999 bouwvergunningen verleend voor de oprichting van bedrijfsgebouwen aan de Elsdijk ten behoeve van twee intensieve veehouderijen. De vergunningen zijn verleend op basis van het “Uitbreidingsplan in hoofdzaken 1961” van de voormalige gemeente Eethen, dat gold ten tijde van de aanvragen.

De Afdeling is van oordeel dat bij de beoordeling van dit geschil uitgegaan moet worden van een bestaande situatie. In dit geval behoefden verweerders slechts over te gaan tot onthouding van goedkeuring aan het bestreden plandeel indien zij uit de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit redelijkerwijs hadden moeten afleiden dat binnen de planperiode de vergunde bebouwing niet kon worden gerealiseerd of dat de voorgenomen activiteiten niet konden worden uitgevoerd.

Het is de Afdeling niet gebleken dat van dergelijke feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit sprake was. Verweerders konden aan de gevestigde rechten en belangen een doorslaggevend gewicht toekennen. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestreden plandeel. De beroepen van [appellanten sub 5] en anderen en van [appellant sub 6] zijn in zoverre ongegrond.

2.13. De [appellanten sub 8] wil op een perceel aan de Aalburgsestraat een handelskwekerij oprichten. Zij stelt dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd voorzover daarin geen agrarisch bouwvlak is toegekend aan het desbetreffende perceel. Verweerders hebben volgens appellante ten onrechte de voorgenomen niet-agrarische activiteiten van de handelskwekerij maatgevend geacht bij de beoordeling van het bestreden plandeel. Voorts beroept appellante er zich op dat de bedrijfsopzet inmiddels zodanig is gewijzigd dat die niet meer voorziet in handelsactiviteiten. Tevens wijst zij erop dat zich aan de Aalburgsestraat recent wèl een handelskwekerij heeft kunnen vestigen.

2.13.1. De gemeenteraad kent uitsluitend nieuwe agrarische bouwvlakken toe nadat de zogenoemde Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen daarover een positief advies heeft uitgebracht. Ten tijde van de planvaststelling was aan deze voorwaarde niet voldaan. Derhalve heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan geen agrarisch bouwblok aan het perceel toegekend.

2.13.2. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad en geen aanleiding gezien het bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.13.3. Het streekplan laat nieuwvestiging van agrarische bedrijven onder voorwaarden toe. Uit de Handleiding Buitengebied (1996), die een nadere uitleg beoogt te geven van een aantal beleidsthema’s die in het streekplan globaal zijn geformuleerd, kan worden afgeleid dat aan nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf onder meer een positief advies van de zogenoemde Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) ten grondslag dient te liggen. Ten behoeve van de nieuwvestiging van het bedrijf van appellante heeft de AAB op 20 maart 2000 op verzoek van de gemeenteraad van Aalburg een advies uitgebracht. Uit het advies blijkt dat de AAB van mening is dat het zwaartepunt van de bedrijfsvoering op het handelsgedeelte zal liggen, derhalve op niet-agrarische activiteiten. De kwekerij-activiteiten kunnen na realisering van de bedrijfsopzet als volwaardig agrarisch worden beschouwd, zo blijkt uit het advies.

Gesteld noch gebleken is dat verweerders dit advies niet bij de beoordeling van het bestreden plandeel konden betrekken.

Het streekplan laat nieuwvestiging van niet-agrarische activiteiten in het buitengebied niet toe. De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk. Toekenning van een bouwvlak ten behoeve van de oprichting van een bedrijf zoals appellante dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor ogen stond, is in strijd met dit beleid. Het feit dat een deel van de voorgenomen activiteiten volgens het advies van de AAB als volwaardig agrarisch kan worden beschouwd, leidt niet tot een ander oordeel.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat in dit geval sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Geen bijzondere omstandigheid is gelegen in de vestiging van een handelskwekerij elders aan de Aalburgestraat. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat dit geen soortgelijk geval betreft.

Dat appellante haar bedrijfsopzet inmiddels zodanig heeft gewijzigd dat er uitsluitend nog sprake is van agrarische activiteiten, kan het bestreden besluit niet aantasten, nu deze ontwikkeling dateert van na nemen van het bestreden besluit.

Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het bestreden plandeel. Het beroep van de [appellanten sub 8] is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14. Ten aanzien van [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellanten sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en de [appellanten sub 8] dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 3], voorzover dat betrekking heeft op artikel 4, derde lid, onder b, van de planvoorschriften, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van appellanten gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 november 2000, nr. 681764/716054, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan

a. het nummer “32-101-20” in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften

b. het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” en de aanduiding “openheid”, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

c. het teken “+” achter de aanduiding “(o) openheid” in de in artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen tabel;

IV. onthoudt goedkeuring aan het nummer “32-101-20” in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften en aan het teken “+” achter de aanduiding “(o) openheid” in de in artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen tabel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het nummer “32-101-20” in artikel 1, onder 2, van de planvoorschriften en aan het teken “+” achter de aanduiding “(o) openheid” in de in artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen tabel;

VI. verklaart de beroepen van appellanten voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal € 3887,68; dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant als volgt te worden betaald: aan [appellanten sub 2] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; aan [appellanten sub 3] € 805,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; aan [appellanten sub 4] € 805,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; aan [appellanten sub 5] en anderen € 122,86; aan [appellant sub 6] € 746,86, waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en aan de [appellanten sub 8] € 763,96, waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt (€ 204,20 aan [appellanten sub 1], aan burgemeester en wethouders van Aalburg en aan Van Brouwershaven e.a.; € 102,10 aan [appellanten sub 2], aan [appellanten sub 4], aan [appellanten sub 5] en anderen, aan [appellant sub 6] en aan de [appellanten sub 8]).

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Tulmans

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

270-381.