Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2509

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200203104/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203104/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 26 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst".

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2002 heeft de stichting "Stichting Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst" (hierna: de stichting) het verzoek van appellant om subsidie op grond van de Regeling Individuele Subsidies (hierna: de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 28 augustus 2000 heeft de stichting het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van werkgroep C (hierna: de werkgroep) van de subcommissie beeldende kunsten van de Commissie Individuele Subsidies van 23 augustus 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn op dezelfde dag bij brief aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2002 heeft de stichting van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2002, waar appellant in persoon en de stichting, vertegenwoordigd door mr. C.A. Lindo, gemachtigde, werkzaam bij de stichting, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 32 van het Huishoudelijk Reglement van de stichting heeft een werkgroep tot taak het formuleren van adviezen ten behoeve van het bestuur – van de stichting – over de door het bestuur voorgelegde subsidie-aanvragen van beeldende kunsten en van vormgeving met inachtneming van het bepaalde in de Regeling.

Ingevolge artikel 74, zevende lid, van voornoemd Huishoudelijk Reglement, voorzover hier van belang, kan de stichting een bezwaarschrift voorleggen aan een adviescommissie.

2.2. Het hoger beroep richt zich er tegen dat de stichting onvoldoende inzicht heeft verschaft in de gedachtegang die aan de motivering van de adviezen van de werkgroep ten grondslag heeft gelegen en dat de rechtbank ten onrechte aan deze tekortkoming geen consequenties heeft verbonden.

2.3. Appellant voert aan dat hem nog steeds onduidelijk is of de nadere motivering van de werkgroep uitsluitend het werk van de afgelopen drie jaren betreft of dat deze motivering mede ziet op oudere werken van appellant.

Uit het advies van de werkgroep van 23 augustus 2000 dat ten grondslag ligt aan de beslissing op bezwaar blijkt, dat zij nog steeds achter de nadere motivering met betrekking tot “het werk” van appellant staat, dat zij waardering heeft voor hetgeen appellant in het verleden tot stand heeft gebracht, maar dat zij zowel het oudere als het meer recente werk op dit moment niet bijzonder vindt binnen het vakgebied.

Voorzover de onduidelijkheid in de nadere motivering van de werkgroep omtrent de vraag of bij de beoordeling van de subsidieaanvraag slechts recentere dan wel ook oudere werken zijn betrokken, als een gebrek zou moeten worden aangemerkt, overweegt de Afdeling, dat dit gebrek in de beslissing op bezwaar is geheeld. Daaruit blijkt immers dat bij de beoordeling van de subsidieaanvraag door de werkgroep zowel het oudere als het meer recente werk van appellant is meegewogen.

2.4. Voorts betoogt appellant dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de innerlijke tegenstrijdigheid in het advies van de werkgroep, waarin ten aanzien van zijn werk enerzijds de termen “tamelijk clichématig” en “nogal illustratief” worden gebezigd, terwijl anderzijds waardering wordt uitgesproken voor werken die appellant in het verleden tot stand heeft gebracht. Appellant heeft reeds in haar bezwaarschrift deze tegenstrijdigheid aangevoerd, maar stelt dat de stichting in de beslissing op bezwaar hier niet op is ingegaan.

Dit betoog treft geen doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de werkgroep in voornoemd advies weliswaar waardering heeft uitgesproken voor het oudere werk van appellant, maar zich tevens op het standpunt heeft gesteld dat het werk nu in 2000 geen voldoende bijdrage leverde aan de hedendaagse beeldende kunst om voor een individuele subsidie in aanmerking te komen. De werkgroep heeft het werk van appellant ten tijde van de subsidieaanvraag in 2000 in een andere context beoordeeld dan in het verleden. Daarnaast zag de werkgroep weinig ontwikkeling in de elkaar opvolgende werken van appellant. Niet staande kan worden gehouden dat de rechtbank heeft miskend dat in het advies sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid. De rechtbank heeft met recht geoordeeld dat niet is gebleken van inconsequentie in de advisering. In dit kader is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de stichting bij de heroverweging volledig is ingegaan op het door appellant aangevoerde bezwaar.

2.5. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank geen oog heeft gehad voor het feit dat de beslissing op bezwaar op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, nu vanwege de jaarlijkse wisseling van samenstelling de werkgroep voor 50% uit andere leden was komen te bestaan en appellant daar niet van op de hoogte was en hij als gevolg daarvan de werkgroep geen nadere documentatiemateriaal heeft toegestuurd.

Dit betoog treft evenmin doel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de werkgroep na de jaarlijkse wisseling van samenstelling niet meer beschikte over de op grond van het Huishoudelijk Reglement vereiste deskundigheid. Evenmin is gebleken dat de werkgroep niet beschikte over voldoende relevant documentatiemateriaal om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. Tot dit oordeel heeft mede bijgedragen dat de helft van de werkgroep bestond uit leden die het bij de aanvraag meegestuurde documentatiemateriaal reeds hadden beoordeeld.

Ook het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de werkgroep - in bezwaar - in redelijkheid van een atelierbezoek heeft kunnen afzien, faalt. Gebleken is dat volgens vaste gedragslijn de beoordeling van een aanvraag in de eerste plaats wordt gebaseerd op toegestuurd documentatiemateriaal en dat pas bij twijfel over het uit te brengen advies een atelierbezoek wordt afgelegd door twee leden van de werkgroep. Omdat in dit geval bij de oorspronkelijke aanvraag vier leden een atelierbezoek hebben afgelegd - hetgeen meer is dan de vaste gedragslijn voorschrijft - waarvan er twee bij de beslissing op bezwaar betrokken waren en aangezien ook hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd niet de conclusie rechtvaardigt dat het advies in bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen, is geen plaats voor het oordeel dat aanleiding had moeten bestaan voor een hernieuwd atelierbezoek.

2.6. Daarnaast stelt appellant dat de rechtbank geen aandacht heeft besteed aan het standpunt van de stichting dat aan het advies van de werkgroep slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld.

Dit standpunt is afgeleid uit de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 1998 (inzake nr. H01.97.0361, aangehecht), waarin de motivering van het in die zaak uitgebrachte advies – hoewel summier – niet zodanig onvolledig of ondeugdelijk werd geacht, dat dit aanleiding moest zijn voor het oordeel dat niet kon worden volstaan met een verwijzing naar dit advies. De Afdeling overwoog hiertoe dat in gevallen als toen aan de orde, waarbij het ging om objectivering van naar hun aard subjectieve oordelen die zich niet licht in woorden laten (samen)vatten, aan het advies slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld. Het gaat erom dat de aanvrager enigermate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die eraan ten grondslag ligt.

Uit de vorenstaande overwegingen blijkt dat de rechtbank het advies van de werkgroep inhoudelijk heeft getoetst en met recht heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het advies niet deugdelijk is onderbouwd. Niet staande kan worden gehouden dat de rechtbank is voorbij gegaan aan de wijze waarop het advies is gemotiveerd.

2.7. Geconcludeerd moet worden dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn die aanleiding geven tot het oordeel dat het advies van de werkgroep dat ten grondslag lag aan de beslissing op bezwaar op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Afdeling is voorts van oordeel dat de stichting met dat advies voldoende inzicht heeft verschaft in de gedachtegang die aan de beslissing op bezwaar heeft gelegen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

66-408.