Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200202136/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202136/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de stichting "Stichting Vrije School Noord en Oost Nederland", gevestigd te Zutphen,

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2000 heeft de gemeenteraad van Zutphen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 25 mei 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Badhuisweg 1999". Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 24 oktober 2001, no. RE2000.68797, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft dit besluit vernietigd bij uitspraak van 10 april 2001, no. 200005630/1.

Verweerders hebben bij hun besluit van 26 februari 2002, no. RE2001.36341, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 17 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2002, en appellante sub 2 bij brief van 6 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2002, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 20 juni 2002 en 21 augustus 2002 hebben verweerders medegedeeld af te zien van het indienen van een verweerschrift.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [appellant], en appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. N. Stommels, advocaat te Nijmegen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Verder is daar de gemeenteraad van Zutphen, vertegenwoordigd door mr. M.G. Frank, ambtenaar bij de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan maakt de bouw van 8 woningen mogelijk op het voormalige bedrijfsterrein van National Starch & Chemical. Het plangebied wordt globaal begrensd door het terrein van de Christengemeenschap, het schoolgebouw van de Vrije School, de Cabinet Gracht en de Badhuisweg.

2.3. Verweerders hebben het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.4. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van appellante sub 2 overweegt de Afdeling het volgende.

Appellante heeft niet tijdig het door haar verschuldigde griffierecht betaald, nadat zij bij aangetekende brief van de Afdeling van 8 mei 2002 op dit verzuim was gewezen. Gebleken is dat appellante een schriftelijke overeenkomst heeft met TPG Post dat alle post gedurende de periodes dat de school dicht is, wordt doorgezonden naar het huisadres van een medewerker van de school.

Een van deze periodes betrof 27 april 2002 tot en met 11 mei 2002. Vast is komen te staan dat de brief van 8 mei 2002 tijdens deze periode werd verstuurd en niet aan de desbetreffende medewerker van de school is aangeboden.

Onder deze omstandigheid acht de Afdeling het verzuim verschoonbaar. Het beroep van appellante sub 2 is derhalve ontvankelijk.

2.5. Appellanten sub 1 stellen ten eerste dat hun zienswijze onjuist is samengevat in het voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad. Zij zijn van mening dat de gemeenteraad hierdoor niet zorgvuldig op hun zienswijze heeft kunnen beslissen.

2.5.1. De zienswijze van appellanten is in het voorstel van burgemeester en wethouders onder no. 2 samengevat weergegeven. Daargelaten of deze verkorte weergave van de zienswijze van appellanten juist is, is gebleken dat naast de samenvatting ook het originele zienswijzegeschrift voor de gemeenteraad ter inzage heeft gelegen. Aangenomen moet dan ook worden dat de gemeenteraad kennis heeft kunnen nemen van de zienswijze van appellanten. De Afdeling acht niet aannemelijk dat appellanten door de omschreven handelwijze in hun belangen zijn geschaad. Verweerders behoefden hierin dan ook geen reden te zien goedkeuring aan de door hen bestreden plandelen te onthouden.

2.6. Appellanten sub 1 richten hun beroep voorts tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Groenvoorzieningen –G-“. Zij zijn van mening dat de bestaande groenstrook aan de Badhuisweg behouden dient te blijven. Het plan biedt hiertoe volgens appellanten onvoldoende waarborgen. Verder geven appellanten er de voorkeur aan dat de woningen worden gebouwd in de vorm van een hofje. Het plan maakt dit volgens appellanten ten onrechte niet mogelijk.

2.6.1. De gemeenteraad heeft de gronden aan de rand van het plangebied deels bestemd als “Groenvoorzieningen –G-“.

Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 6, lid A, van de planvoorschriften, bestemd voor parken, plantsoenen, bermen en andere groenvoorzieningen, met daarbij behorende andere bouwwerken, zoals straatmeubilair en speelvoorzieningen, paden en ontsluitingen.

De gemeenteraad heeft verder overwogen dat niet voor het zogenoemde hofjesconcept is gekozen, omdat dit gezien het type en het aantal woningen een ongunstige verkaveling oplevert. Bovendien acht hij van belang dat er in het hofjesconcept weinig privé buitenruimte voor bewoners is.

2.6.2. Verweerders zijn van mening dat het plan op de bestreden onderdelen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en hebben het in zoverre goedgekeurd.

2.6.3. Uit de stukken blijkt dat zich langs de Badhuisweg een groensingel van bomen en struiken bevindt. Deze groensingel is in het plan bestemd als “Groenvoorzieningen –G-“. Onbestreden is dat de groensingel, met uitzondering van enkele berken, geen bijzondere natuurlijke waarden heeft. Ter zitting is door de gemeenteraad nogmaals verklaard dat vijf berken bij de realisering van het plan behouden zullen blijven. De Afdeling stelt vast dat het plan dit behoud niet in de weg staat.

Appellanten hebben voorts bezwaar tegen het voornemen van de gemeenteraad om nieuw, parkachtig groen in te planten, in plaats van het bestaande groen te behouden. De Afdeling overweegt dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit bezwaar dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

Wat betreft het betoog van appellanten dat ten onrechte niet is gekozen voor het hofjesconcept overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.6.4. Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op de door appellanten bestreden onderdelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

2.6.5. Het beroep van appellanten sub 1 is derhalve ongegrond.

2.7. Appellante sub 2 is van mening dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het meest zuidelijk gelegen plandeel met een woonbestemming. Dit ligt volgens appellante op te korte afstand van haar school. Zij stelt dat ongemotiveerd is afgeweken van de afstandsnorm die wordt genoemd in de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de brochure). Het gevolg hiervan is volgens appellanten dat toekomstige bewoners onaanvaardbare geluidoverlast zullen ondervinden van de school en dat afbreuk wordt gedaan aan de intimiteit van de kleuterspeelplaats.

Verder stelt appellante dat het plan geen rekening houdt met een toekomstige uitbreiding van de school en dat de aanleg van een voet-/fietspad langs de Henri Dunantweg leidt tot een afname van de omvang van het schoolterrein.

2.7.1. De gemeenteraad acht de afstand van de school tot de meest zuidelijk geprojecteerde woning voldoende. Verder heeft de gemeenteraad overwogen dat de oppervlakte van het schoolterrein voldoende groot is.

2.7.2. Verweerders hebben overwogen dat de afwijking van de in de brochure genoemde afstandsnorm gering is. Verder zijn zij van mening dat toekomstige bewoners van de woning in kwestie op de hoogte zullen zijn van de nabijheid van de school en de geluidhinder die dit met zich zal brengen. Verweerders verwachten niet dat de bruikbaarheid van het schoolterrein als gevolg van het plan zal worden aangetast.

Zij achten het plan ook op deze onderdelen in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en hebben het in zoverre goedgekeurd.

2.7.3. Tussen partijen staat vast dat op grond van de brochure een afstand van 30 meter tussen de school en de woningen in het plangebied zou moeten worden aangehouden. Deze afstand kan, na het toepassen van een correctie, worden teruggebracht tot 10 meter. Voorts staat vast dat de afstand tussen de school en de meest zuidelijke woning in het plangebied 9 meter bedraagt.

De Afdeling overweegt dat de afstanden in de brochure weliswaar indicatief zijn, maar dat dit niet betekent dat van deze afstanden zonder een deugdelijke motivering kan worden afgeweken. In het bestreden besluit, zoals hiervoor kort weergegeven, hebben verweerders erop gewezen dat toekomstige bewoners op de hoogte zullen zijn van de te verwachten geluidoverlast en dat de afwijking van de afstandsnorm van 10 meter gering is. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders hiermee geen deugdelijke motivering gegeven voor afwijking van de in de brochure gegeven afstandsnorm. Voorts zijn verweerders niet ingegaan op de stelling van appellante dat het plan ten onrechte geen rekening houdt met de door haar gewenste uitbreidingsmogelijkheden.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellante sub 2 is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.8. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 2 te worden veroordeeld. Voor wat betreft appellanten sub 1 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 26 februari 2002, no. RE2001.36341, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel weergegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. verklaart het beroep van appellanten sub 1 ongegrond;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante sub 2;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan appellante sub 2 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Nollen, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Nollen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

332.