Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200204525/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 44K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204525/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de stichting "Stichting Hou 't Science Park Groen", gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 9 juli 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Amsterdam (hierna: de raad) zijn besluit van 23 mei 2001, nr. 284, inzake het Stedenbouwkundig Programma van Eisen Wetenschap en Technologie Centrum Watergraafsmeer (hierna: het SPvE) aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1.4, aanhef en onder g, van de Verordening op het referendum 1998.

Bij besluit van 16 januari 2002 heeft de raad de daartegen door - onder meer - appellanten sub 1 en sub 2 ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van 3 januari 2002, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellante sub 1 en sub 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellante sub 1 bij brief van 14 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellante sub 2 bij brief van 18 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 oktober 2002 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2002, waar appellante sub 1 in persoon, appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.W. Bartels, M. Plasmans en H. Verhaar, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.4, aanhef en onder g, van de Verordening op het referendum 1998 (hierna: de Verordening 1998) kan over iedere beslissing van de gemeenteraad een referendum worden gehouden, met uitzondering van beslissingen waarvan de inwerkingtreding of uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege de daarmee gemoeide spoedeisende gemeentelijke belangen.

Ingevolge artikel 2.2, vierde lid, van de Verordening 1998 neemt de gemeenteraad, indien hij van oordeel is dat de concept-beslissing niet behoort tot de in artikel 1.4 vermelde uitzonderingen, zo nodig tegelijkertijd met de eigenlijke beslissing, de beslissing om de uitvoering of inwerkingtreding van deze beslissing op te schorten, totdat een beslissing naar aanleiding van de uitslag van het te houden referendum is genomen, respectievelijk totdat een kennisgeving is gedaan van een beslissing als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, of artikel 4.2, tweede lid.

2.2. Op 5 maart 1998 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan in de zaak nr. E04.97.0037 (JB 1998,79, Gst. 1998, 7077, 3). Deze zaak betrof een geschil inzake de toepassing van de Verordening op het referendum 1996, welke verordening - althans voor wat betreft de thans van belang zijnde punten - overeenkomt met de Verordening 1998.

2.2.1. In deze uitspraak is overwogen, dat de raad in vrijheid bij verordening heeft bepaald over welke raadsbesluiten en in welke gevallen een referendum wordt gehouden. De raad heeft in het kader van artikel 1.4, aanhef en onder g en h, ook enige beoordelingsruimte, doch niet kan worden volgehouden dat hij volledig vrij is om, alle betrokken belangen afwegend, per geval te beslissen of een referendum wordt gehouden. Uit deze uitspraak volgt verder dat de raad - nadat een referendum heeft plaatsgevonden - beslist over het aan de uitslag te verbinden gevolg, waarbij hij weliswaar het oordeel van de kiezers zwaar zal laten wegen maar de vrijheid heeft aan andere belangen een groter gewicht toe te kennen. Van een juridische binding van de raad aan de uitslag van een referendum is dan ook geen sprake.

2.3. Het SPvE, waarop het referenduminitiatief van appellanten betrekking heeft, behelst een inventarisatie van de door de raad gewenste planologische, stedebouwkundige en verkeerstechnische ontwikkelingen voor het gebied waarop het Wetenschap en Technologie Centrum Watergraafsmeer (hierna: het WTCW) moet worden gerealiseerd. Het SPvE heeft geen wettelijke basis en ook geen, althans geen beoogd, rechtsgevolg. Ter zitting is door de raad ook aangegeven dat het SPvE voor hem slechts een zekere mate van zelfbinding heeft.

2.3.1. Uit het vorenstaande volgt dat het SPvE noch in werking behoeft te treden noch als zodanig enige uitvoering behoeft. Artikel 2.2, vierde lid, van de Verordening staat - ook indien het gewenste referendum zou worden gehouden - aan de verdere (planologische) ontwikkeling van het WTCW dan ook niet in de weg. De uitkomst van een eventueel referendum heeft - gelet op het bepaalde in de Wet op de Ruimtelijke Ordening - evenmin juridische gevolgen voor het reeds in procedure gebrachte bestemmingsplan met betrekking tot het WTCW. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat ten aanzien van het SPvE sprake is van een beslissing waarvan de uitvoering of inwerkingtreding niet kan worden uitgesteld vanwege de daarmede gemoeide gemeentelijke belangen. De uitzondering van artikel 1.4, aanhef en onder g, van de Verordening 1998 doet zich dan ook niet voor. De rechtbank heeft dit miskend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, worden de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard en de beslissingen op bezwaar vernietigd. Aangezien geen van de andere in artikel 1.4 van de Verordening 1998 genoemde uitzonderingen zich voordoet, zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op na te melden wijze zelf in de zaak worden voorzien.

2.5. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 9 juli 2002, AWB 02/830 BELEI en AWB 02/832 BELEI;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam van 16 januari 2002, 9A;

V. stelt vast dat geen van de in artikel 1.4 van de Verordening 1998 genoemde uitzonderingen zich voordoet;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de gemeenteraad van Amsterdam in de door appellante sub 1 in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 30,91; het bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan appellante;

VIII. gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 274,00 voor appellante sub 1 en € 545,00 voor appellante sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Van Loon

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

284-364.