Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200200008/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200008/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 november 2001 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel de Baarsjes van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2000 heeft het dagelijks bestuur van het Stadsdeel de Baarsjes van Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellant en [partij] krachtens artikel 19 en artikel 14 van de Woningwet, onder oplegging van een dwangsom, aangeschreven het metselwerk van de voorgevel van [locatie] te reinigen en te hydrofoberen.

Bij besluit van 2 mei 2000 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Awb-bezwaarschriftencommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 november 2001, verzonden op 21 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2002 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A. Noordermeer-v.d. Heide, gemachtigde, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P. Lans, ambtenaar van het dagelijks bestuur, zijn verschenen. Voorts is gehoord [gemachtigde] van de Commissie voor Welstand en Monumenten.

2. Overwegingen

2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn minderjarige zoon [eigenaar], als eigenaar van het pand [locatie], niet is aangeschreven.

Dit betoog faalt. Appellant en [partij] zijn aangeschreven in hun hoedanigheid als uitoefenaars van de ouderlijke macht over hun minderjarige zoon [eigenaar], die volgens het dagelijks bestuur de eigenaar is van het pand [locatie]. Bij de behandeling van het bezwaar is naar voren gekomen dat [eigenaar] eigenaar is van het pand [locatie] en [eigenaar], de andere minderjarige zoon van appellant en [partij]n, eigenaar is van het pand […]. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur de onjuiste aanname dat de adressen [locaties] kadastraal gezien één pand betreffen heeft hersteld in de beslissing op bezwaar van 2 mei 2000. In dat besluit is immers opgenomen dat de aanschrijving, gericht aan appellant en [partij] als uitoefenaars van de ouderlijke macht, betrekking heeft op de panden [locaties].

2.2. Ingevolge artikel 19 van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders, indien het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, voor het bouwen waarvan een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, is verleend, in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid, degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven daartoe strekkende voorzieningen te treffen.

Ingevolge artikel 25 van de Woningwet vaardigen burgemeester en wethouders behoudens in geval van gevaar of ernstige hinder gedurende drie jaren na de bekendmaking van een aanschrijving tot het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen met betrekking tot hetzelfde bouwwerk of dezelfde standplaats niet wederom een dergelijke aanschrijving uit.

2.3. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat hij in strijd met artikel 25 van de Woningwet wederom is aangeschreven. De strekking van artikel 25 is te voorkomen dat de eigenaar in korte tijd wordt geconfronteerd met verschillende aanschrijvingen tot het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen. Nu de eerdere aanschrijving van 30 september 1998 bij besluit van 1 juni 1996 is ingetrokken en daaraan derhalve geen gevolg gegeven behoefde te worden, is het besluit van 28 januari 2000 naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met dit artikel.

2.4. Appellant betoogt voorts tevergeefs dat artikel 19 van de Woningwet niet van toepassing kan zijn omdat er geen veranderingen ten aanzien van het bouwwerk zijn aangebracht. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet uit dit artikel worden afgeleid dat het enkel ziet op veranderingen.

2.5. Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het welstandsadvies onvoldoende aanknopingspunt biedt voor de conclusie dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.

Dit betoog slaagt. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het welstandsadvies van 15 maart 2000 onvoldoende grondslag biedt voor het oordeel dat de uiterlijke staat van de gevels van de panden [locaties] in zodanige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand dat sprake is van een situatie als bedoeld in voormeld artikel 19. Met name is in dat advies niet duidelijk gemaakt waarom het enkele feit dat er kleurverschil is tussen de wel en niet gereinigde gevels meebrengt dat de architectonische eenheid in ernstige mate is verstoord. Dat, volgens het advies, het reinigen van de gevels van aangrenzende en naburige panden tot gevolg heeft dat het gevelbeeld van de [locaties] in belangrijke mate in zijn oorspronkelijke toestand wordt hersteld, wat van die visie en de gevolgen daarvan zijn moge, volstaat daarvoor niet.

Uit het bovenstaande volgt dat de beslissing op bezwaar een deugdelijke motivering ontbeert. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 mei 2000 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.7. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.8. Het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 21, derde lid, van de Woningwet dient te worden afgewezen, nu geen sprake is van een aanschrijving die verband houdt met gevaar of ernstige hinder, als bedoeld in artikel 21, tweede lid.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 november 2001, 00/3413 GEMWT;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel de Baarsjes van Amsterdam van 2 mei 2000, no. 000502/BO032;

V. draagt het dagelijks bestuur van het Stadsdeel de Baarsjes van Amsterdam op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het dagelijks bestuur van het Stadsdeel de Baarsjes van Amsterdam in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1322,01, welk bedrag voor een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 + € 165,00) vergoedt;

VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

378.