Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200202026/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 174 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202026/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 28 februari 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de dijkgraaf en heemraden van het waterschap De Brielse Dijkring te Brielle.

1. Procesverloop

Bij brief van 20 juni 2000 hebben de dijkgraaf en heemraden van het waterschap De Brielse Dijkring te Brielle (hierna: de dijkgraaf en heemraden) appellante verzocht op het badstrand van Rockanje het duinvoetraster ten noordwesten van de naastliggende duinovergang op de oude plaats terug te zetten. Voorts is appellante er op gewezen dat zij nog niet heeft voldaan aan het aan de aan haar verleende vergunning voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een strandetablissement verbonden vergunningvoorschrift dat tekeningen waarop de ligging van kabels en leidingen is aangegeven ter goedkeuring moeten worden overgelegd.

Bij besluit van 1 november 2000 hebben de dijkgraaf en de heemraden het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (besluit I).

Bij besluit van 23 augustus 2000 hebben de dijkgraaf en heemraden het verzoek van appellante de aan haar verleende vergunningen voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een strandetablissement te verlengen afgewezen. Voorts hebben zij appellante verzocht binnen vier weken na verzenddatum van de brief waarin dit besluit is verzonden, de inmiddels uitgevoerde graafwerkzaamheden aan de duinvoet en de verplaatsing van het duinraster ongedaan te maken.

Bij besluit van 1 november 2000 hebben de dijkgraaf en heemraden het door appellante gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het verzoek aan appellante werkzaamheden te verrichten, niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar, voor zover het betreft het niet verlengen van vergunningtermijnen gegrond verklaard. Voorts hebben zij het besluit van 23 augustus 2000 ingetrokken, de geldigheidsduur van de vergunningen verlengd tot 1 augustus 2001 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard (besluit II). Dit besluit en het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 februari 2002, verzonden op 5 maart 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het tegen de besluiten van 1 november 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 17 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 juni 2002 hebben de dijkgraaf en heemraden een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2002, waar appellante in persoon en de dijkgraaf en heemraden, vertegenwoordigd door mr. L.J.M.M. Vosters en R.P. Dekker, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep van appellante richt zich uitsluitend nog tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep gericht tegen besluit II, voor zover betrekking hebbend op de verlenging van de vergunningtermijnen, ongegrond is. Appellante handhaaft haar betoog dat de dijkgraaf en heemraden ten onrechte een besluit hebben genomen op het verzoek om verlenging van de vergunningtermijn. Appellante is van mening dat aan de kaart behorende bij de keur en legger geen betekenis kan worden toegekend, nu deze niet op rechtsgeldige wijze is tot stand gekomen. Zou dit al anders zijn, dan blijkt volgens appellante uit die kaart dat de bevoegdheid van de dijkgraaf en heemraden zich niet uitstrekt tot de door appellante beoogde lokatie voor haar strandetablissement, zodat moet worden geconcludeerd dat de dijkgraaf en heemraden de bevoegdheid ontberen en ontbeerden om voor het plaatsen, hebben en onderhouden van een strandetablissement op die lokatie vergunningen te vereisen, te verlenen en te verlengen.

2.2. Dit betoog faalt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat uit het samenstel van bepalingen in keur en reglement van het waterschap – bezien in samenhang met de bijbehorende leggertekening – volgt, dat de dijkgraaf en heemraden inzake de lokatie waarop appellante haar strandetablissement wil realiseren bevoegd zijn en waren de ingevolge de keur vereiste vergunningen te vereisen, verlenen en verlengen, alsmede voor de afhandeling van daartoe strekkende verzoeken leges te heffen. In het betoog van appellante ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de desbetreffende leggertekening geen rechtskracht heeft. Het ontbreken van een waarmerk is daarvoor, mede gelet op de door de dijkgraaf en heemraden ter zitting gegeven toelichting, onvoldoende. Eveneens hebben zij voldoende aannemelijk gemaakt dat, anders dan appellante meent, de basiskustlijn in dit verband geen rol speelt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

53-378.