Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200202079/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1313
Module Horeca 2002/912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202079/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem van 11 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Op 29 augustus 2000 heeft [vergunninghouder] te [plaats] een verzoek ingediend bij burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: burgemeester en wethouders) om hem bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen en vergroten van een horecagebouw op het perceel [locatie].

Bij brief van 31 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders aan appellant meegedeeld dat op 1 december 2000 van rechtswege een bouwvergunning is verleend voor dit bouwplan.

Bij besluit van 8 november 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de hoor- en adviescommissie bezwaarschriften van Zaanstad van 1 november 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 juli 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend. Bij brief van 31 juli 2002 heeft [vergunninghouder] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J. Pot, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder] in persoon, bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. De door [vergunninghouder] bij burgemeester en wethouders ingediende aanvraag om bouwvergunning heeft betrekking op het uitbreiden van de door hem geëxploiteerde discotheek in het pand [locatie] met een koffiebar. Deze uitbreiding is gesitueerd in een aanbouw naast dit pand en achter het pand [locatie].

2.2. Appellant betoogt dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Koogerpark” en dat dus niet van rechtswege een vergunning is verleend. Voorts betoogt hij dat voor het bouwplan een vergunning krachtens artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet is vereist, zodat de beslissing omtrent de bouwaanvraag diende te worden aangehouden.

2.3. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders ingevolge het tweede lid hun beslissing voor ten hoogste dertien weken verdagen. Een beslissing tot verdaging behoeft de goedkeuring van de gemeenteraad. Ingevolge het derde lid van dit artikel is het eerste lid niet van toepassing indien – kort gezegd – het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid, is de bouwvergunning ingevolge het vierde lid van rechtswege verleend.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Woningwet houden burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien voor het bouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is vereist. Ingevolge dit artikel is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. Tevens is het ingevolge dit artikel, aanhef en onder b, verboden een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2.4. Vast staat dat de in artikel 46, eerste lid, genoemde termijn op 1 december 2000 was verstreken en dat burgemeester en wethouders de beslissing omtrent de bouwaanvraag voordien niet hadden verdaagd.

2.5. Op het betrokken perceel rust ingevolge bestemmingsplan “Koogerpark” de bestemming “Horecabedrijven (H)”.

Ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn gronden met deze bestemming aangewezen voor het uitoefenen van een hotel-, restaurant- en cafébedrijf.

2.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan “Koogerpark” in 1981 het pand [locatie] in gebruik was als jazzpaleis en bardancing. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit gebruik niet gelijkgesteld kan worden met het gebruik als discotheek. Met de voorzieningenrechter acht de Afdeling het aannemelijk dat het de kennelijke bedoeling van de planwetgever is geweest dit gebruik onder de bestemming “Horecabedrijven (H)” te brengen. Dat in artikel 4 van de planvoorschriften slechts de bedrijven zijn genoemd met namen waarvan de beginletters het woord “horeca” vormen, maakt die bedoeling niet anders.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het bouwplan niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Koogerpark”.

2.7. Vast staat voorts dat het pand [locatie] een beschermd monument is als bedoeld in artikel 11, voornoemd. Het pand [locatie] heeft deze status niet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat, voorzover hier van belang, het bouwplan een opbouw op een aanbouw aan het monument inhoudt. De uitbreiding van de discotheek is derhalve niet verbonden aan het monument zelf. De voorzieningenrechter heeft dit eveneens overwogen en heeft zich daarbij gebaseerd op de uitkomst van door drs. L. Veneman, ambtenaar van de gemeente Zaanstad, ter plaatse uitgevoerd onderzoek. De voorzieningenrechter is dan ook terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat voor het voorliggende bouwplan geen vergunning ingevolge artikel 11 van de Monumentenwet 1998 was vereist.

2.8. Aangezien in dit geval geen vergunning krachtens artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 was vereist, dienden burgemeester en wethouders de aanvraag om bouwvergunning op grond van artikel 54, eerste lid, van de Woningwet niet aan te houden. Aangezien het bouwplan niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, is op 1 december 2000 van rechtswege een vergunning verleend als bedoeld in artikel 46, vierde lid, in samenhang met het eerste lid, van de Woningwet. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat burgemeester en wethouders dit besluit bij hun besluit van 8 november 2001 terecht hebben gehandhaafd. Het hierop betrekking hebbende betoog van appellant slaagt niet.

2.9. Voorzover appellant twijfelt aan de technische uitvoerbaarheid van het bouwplan, overweegt de Afdeling dat het, naar ter zitting is gebleken, vaste praktijk is in de gemeente Zaanstad dat tekeningen en berekeningen hieromtrent enkele weken voor de aanvang van de bouwwerkzaamheden bij burgemeester en wethouders worden ingediend. Daarnaast is gebleken dat de brandweer een positief advies heeft uitgebracht met betrekking tot het bouwplan. Mede gelet hierop heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de technische uitvoering niet haalbaar zou zijn. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Dit betoog van appellant faalt.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

164.