Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2462

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200203082/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 214 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2002/2161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203082/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. Burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 3 mei 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellanten sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2000 hebben appellanten sub 1 (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant sub 2 bouwvergunning verleend voor een carport op een perceel aan de [locatie].

Bij besluit van 8 maart 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van de Beroep- en Bezwaarschriftencommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 mei 2002, verzonden op 6 mei 2002, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar zullen nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 14 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2002, en appellant sub 2 bij brief van 6 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 16 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 september 2002 heeft [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mevrouw D.J.A.M. Wolters en C.A.H.M. Gebbing, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Appellant sub 2 is met bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 15 april 1997 is op basis van het destijds geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1972” aan [verzoeker] een bouwvergunning verleend voor het veranderen van de woning en het bouwen van een carport als onderdeel van die woning op het perceel [locatie]. Vast staat dat de carport niet door [verzoeker] is gerealiseerd.

2.2. Op 28 april 2000 heeft appellant sub 2 een bouwaanvraag ingediend voor een gewijzigde en enigszins vergrote uitvoering van de niet gerealiseerde carport (hierna: het bouwplan).

2.3. Op het perceel rust ingevolge het ten tijde van de bouwaanvraag van appellant sub 2 inmiddels van kracht geworden bestemmingsplan “Buitengebied 1998” de bestemming “Woondoeleinden”.

2.4. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met de bij deze bestemming behorende planvoorschriften.

2.5. Het geding heeft betrekking op de vraag of voor het bouwplan ingevolge de overgangsbepaling van het bestemmingsplan een bouwvergunning kon worden verleend. Burgemeester en wethouders en appellant sub 2 hebben in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat dit mogelijk was.

2.6. Op grond van artikel 39, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied 1998” (voor zover hier van belang) mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestond, krachtens een vóór dat tijdstip verleende bouwvergunning in uitvoering was of kon worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde bouwvergunning en dat afwijkt van het plan, behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, met dien verstande dat de inhoud van een gebouw niet wordt vergroot en geen andere afwijkingen van het plan ontstaan.

2.7. Gelet op de beperkte strekking van het overgangsrecht, die tot uitdrukking is gebracht in het gebruik van de term “bouwwerk” in de weergeven overgangsbepaling, kan een beroep op die bepaling slechts slagen indien het gaat om het gedeeltelijk veranderen of vernieuwen van een op het moment dat dit beroep wordt gedaan reeds bestaand bouwwerk. Van een bouwwerk en van het vernieuwen of veranderen daarvan, kan immers niet worden gesproken, als voor een bouwplan weliswaar een vergunning is verleend, doch van die vergunning geen gebruik is gemaakt.

2.8. Vast staat dat de carport, waarvoor in 1997 bouwvergunning was verleend, nooit is gerealiseerd. Van een verandering van een aanwezig bouwwerk in de zin van de overgangsbepaling is daarom geen sprake. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat het wel gerealiseerde woongedeelte als zodanig niet afwijkt van het bestemmingsplan.

2.9. Gelet op het voorafgaande heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat voor het bouwplan niet met toepassing van het overgangsrecht een bouwvergunning kon worden verleend. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat burgemeester en wethouders, nu het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, hadden moeten beoordelen of voor het bouwplan vrijstelling kon worden verleend.

2.10. Het hoger beroep van burgemeester en wethouders en het hoger beroep van appellant sub 2 is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

47-429.