Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200202577/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/67
M en R 2003, 57K
Module Ruimtelijke ordening 2002/2345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202577/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 3 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Schiedam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2000 hebben burgemeester en wethouders van Schiedam (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor het bouwen en vergroten van een koeienstal op het perceel [locatie].

Bij besluit van 5 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Kamer I uit de Bezwaar- en Beroepschriftencommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 april 2002, verzonden op 4 april 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 november 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

Bij brief van 21 november 2002 heeft appellant nader een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door N.E. Bink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De door appellant bij burgemeester en wethouders ingediende aanvraag heeft betrekking op de uitbreiding van een koeienstal aan de [locatie], die daar reeds sinds ongeveer 1984 staat.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte geen vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening hebben verleend.

2.3. Het perceel waarop het bouwplan van appellant is gesitueerd is ingevolge het ter plaatse als bestemmingsplan geldende “Uitbreidingsplan in hoofdzaak Kethel Schiedam”, bestemd voor agrarische doeleinden zonder bebouwing.

Ingevolge artikel XV van de planvoorschriften mag op percelen met deze bestemming, behoudens het bepaalde in de in artikel XVII, onder a, vervatte overgangsbepaling, geen bebouwing worden opgericht. De koeienstal is derhalve, zoals de Afdeling rechtspraak bij uitspraak van 6 april 1993, nummer R03.90.5103, heeft geoordeeld, in strijd met het bestemmingsplan ter plaatse aanwezig.

Ingevolge artikel XVII, onder a, mogen woningen of andere gebouwen, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan reeds bestaan of waarvoor als gevolg van een bouwaanvraag een bouwvergunning is verleend of toegezegd, afwijkende van hetgeen is bepaald in de bestemmingen in hoofdzaak behorende bij het renvooi, gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd of uitgebreid, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Aangezien de koeienstal ten tijde van het van kracht worden van het geldende bestemmingsplan in 1964 nog niet was geplaatst, mag deze niet met toepassing van de overgangsbepaling worden uitgebreid.

2.4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling worden verleend van het geldende bestemmingsplan mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

2.5. Ingevolge artikel 19, vierde lid, wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.6. Vast staat dat aan de in artikel 19, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vervatte voorwaarde voor het kunnen verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, in dit geval niet is voldaan, zodat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deze vrijstelling reeds hierom niet anders dan had kunnen worden geweigerd.

2.7. Voorts overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 3°,van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985, burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan kunnen verlenen voor de uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is en de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

Aangezien de uitbreiding is gesitueerd op een perceel waarop in het geheel geen bebouwing is toegestaan, heeft het bouwplan geen betrekking op een bouwwerk als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 3°,van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan reeds hierom geen vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, worden verleend.

2.8. Burgemeester en wethouders hebben gelet op het vorenstaande terecht geen bouwvergunning verleend voor het onderwerpelijke bouwplan. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd. Onder deze omstandigheden kan hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd buiten beschouwing worden gelaten.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

164.