Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200201318/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201318/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2001 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch een verzoek van appellant om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), afgewezen.

Bij besluit van 31 juli 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand te

’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar en beroep, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 31 januari 2002, verzonden op 5 februari 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 juni 2002 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2002, waar appellant in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. van Dijken, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant was als zelfstandige eigenaar van een fotostudio. De voortzetting van het bedrijf was afhankelijk van het resultaat van een aantal door appellant gevoerde gerechtelijke procedures. Met het oog op één van die procedures heeft appellant het in geding zijnde verzoek om een toevoeging ingediend.

2.2. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb, wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop het verzoek betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand.

2.2.1. De memorie van antwoord bij dit artikel vermeldt onder meer: “Het kan naar ons oordeel niet zo zijn dat de rechtsbijstandskosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende worden afgewenteld op de overheid. Deelname aan het economisch leven brengt nu eenmaal risico’s met zich. De ondernemer, of deze zelfstandige is of niet, kan voor dit soort risico’s reserveren of zich verzekeren.” (Kamerstukken II, 1992/1993, 22 609, nr. 6, blz. 12).

2.3. De rechtbank heeft met juistheid, samengevat weergegeven, overwogen dat niet aannemelijk is dat toewijzing van uitsluitend de vordering, waarvoor de toevoeging is verzocht en waarmee een financieel belang van ongeveer ƒ 3000,-- tot ƒ 4000,-- (€ 1361,34 tot € 1815,12) is gemoeid, voldoende is voor de voortzetting van de zelfstandige bedrijfsuitoefening door appellant. Anders dan appellant meent, is niet voldoende dat deze vordering, naast een aantal andere vorderingen, mogelijk tot voortzetting van het bedrijf kan leiden; voorwaarde voor een toevoeging is dat de procedure, waarvoor de toevoeging is verzocht, de enige is waarvan het voortbestaan van het bedrijf afhangt. In de opvatting van appellant zou voor alle gerechtelijke procedures die tezamen de financiële middelen ter continuering van het bedrijf moeten verschaffen, een toevoeging moeten worden verleend. Een dergelijke verstrekkende opvatting verdraagt zich niet met de hiervoor geciteerde passage uit de memorie van antwoord, waaruit terughoudendheid van de wetgever blijkt ten aanzien van een verzoek als in geding.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

238.