Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200201899/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2002:AE1294
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/984
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201899/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 19 februari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de korpschef van de politie regio Twente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2001 heeft de korpschef van de politie regio Twente (hierna: de korpschef) aan het bedrijf “B. Secure” toestemming onthouden voor het door appellant verrichten van particuliere beveiligingswerkzaamheden als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: wet Pbr).

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft de korpschef het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2002 heeft de korpschef van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2002, waar de korpschef, vertegenwoordigd door drs. A. Krommendijk en M.J.G. Broekhuis, beiden werkzaam bij de politie regio Twente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant wil voor “B. Secure” op oproepbasis werkzaamheden verrichten als horecaportier. De hiervoor vereiste, door “B. Secure” aangevraagde, toestemming van de korpschef is geweigerd omdat appellant naar het oordeel van de korpschef niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor dit werk. Daarbij heeft de korpschef, blijkens de beslissing op bezwaar, met name acht geslagen op het feit dat appellant op 3 maart 2000 tot een vrijheidsstraf is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf ingevolge de Wet wapens en munitie (het voorhanden hebben van een hand- of flitsgranaat) alsmede dat appellant in 1996 en in 2000 verdacht is van mishandeling, voor welke beide feiten appellant een door de Officier van Justitie aangeboden transactie heeft voldaan.

2.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de korpschef op basis van de eerder genoemde feiten het standpunt kon innemen dat appellant niet voldoet aan de eis van betrouwbaarheid vereist voor de uitoefening van dit werk. Voor de verlening van toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet pbr heeft de korpschef in beleidsregels, welke zijn vastgesteld op 25 januari 2000, nadere criteria opgenomen voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van reeds als zodanig werkzame portiers. Deze criteria kunnen niet als onredelijk of anderszins onjuist worden beschouwd. Ingevolge deze criteria kon reeds op basis van het eerste feit de toestemming worden geweigerd.

Appellant heeft er weliswaar op gewezen dat het misdrijf ingevolge de Wet wapens en munitie door hem niet bewust is gepleegd en dat mede hierom door de politierechter de laagst mogelijke straf is opgelegd, maar hij heeft dit betoog op geen enkele wijze nader geadstrueerd. Voorts valt niet in te zien waarom de korpschef niet op basis van in 1996 en in 2000 gepleegde mishandeling zou mogen menen dat er bij appellant gevaar voor recidive bestaat. Dat het feit in 1996 niet is gepleegd bij de uitoefening door appellant van het beroep van horecaportier, is hiervoor niet relevant. Voor het verlenen van de gevraagde toestemming was derhalve geen plaats.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.G. Treffers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Korthals Altes w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

91/306-426.