Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200203830/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203830/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 11 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Margraten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2000 hebben burgemeester en wethouders van Margraten (hierna: burgemeester en wethouders), naar aanleiding van twee afzonderlijk ingediende bouwaanvragen, vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor respectievelijk een uitbreiding van een garage annnex berging en een daarvoor geplaatste overkapping op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaar- en Beroepschriften van 8 maart 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 juni 2002, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 september 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend. Bij brief van 20 augustus 2002 heeft vergunninghouder een nadere memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2002, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.A. Sanders, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Verder is vergunninghouder ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De inmiddels gerealiseerde bouwplannen voorzien enerzijds in een gewijzigde uitvoering van een eerder vergund bouwplan voor een vergroting van de garage annex berging en anderzijds in een daarvoor te plaatsen overkapping.

2.2. Ter plaatse geldt krachtens het bestemmingsplan “Kom Margraten” de bestemming “Woondoeleinden”. Niet in geschil is - en ook de Afdeling gaat daarvan uit - dat de uitbreiding van de garage annex berging de krachtens het plan toegestane maximale oppervlakte aan bijgebouwen overschrijdt. De als bouwwerk, geen gebouw zijnde, aan te merken overkapping is eveneens in strijd met de voorschriften, wegens de plaatsing daarvan op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens.

2.3. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge 19, derde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder c, van het Bro kunnen zij eveneens vrijstelling verlenen voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvan de bruto-vloeroppervlakte niet groter is dan 25 m² en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voorzover hier van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO geacht mede een verzoek om een zodanige vrijstelling in te houden.

2.4. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat voor de bouwplannen slechts vrijstelling kon worden verleend krachtens artikel 19 van de WRO, zoals dit artikel luidde tot 3 april 2000. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat nu de aanvragen na die datum zijn ingediend, burgemeester en wethouders daarop dienden te beslissen met inachtneming van de wettelijke bepalingen zoals die sedert 3 april 2000 luiden.

2.5. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de ingediende bouwtekeningen in voldoende mate tot uitdrukking brengen waarop de bouwaanvraag voor de uitbreiding van de garage annex berging betrekking heeft.

2.6. Voorzover appellant heeft betoogd dat burgemeester en wethouders ten behoeve van het bouwplan voor de garage annex berging geen vrijstelling mochten verlenen omdat dit afwijkt van het bouwplan waarvoor een inmiddels onherroepelijke bouwvergunning is verleend, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de houder van een in rechte onaantastbare bouwvergunning een aanvraag indient, die strekt tot wijziging van het vergunde bouwplan. Indien (ook) dat bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, moeten in het kader van het besluit omtrent vrijstelling ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtstreeks daarbij betrokken belangen worden afgewogen.

2.7. Bij de beoordeling van de verzoeken om vrijstelling hebben burgemeester en wethouders aansluiting gezocht bij de in het ontwerp-bestemmingsplan “Sint Geertruid” opgenomen bouwmogelijkheden voor aan- en bijgebouwen. Naar de vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders ter zitting heeft verklaard, is het de bedoeling dat in alle bestemmingsplannen in de gemeente Margraten een soortgelijke regeling zal worden opgenomen. Gelet hierop acht de Afdeling het onjuist noch onredelijk dat burgemeester en wethouders de in genoemd ontwerp-bestemmingsplan opgenomen uitgangspunten voor het verlenen van vrijstelling in dit geval als toetsingskader hebben gehanteerd.

2.8. Blijkens de bouwtekening(en) is de zijgevel van de uitbreiding van de garage annex berging, anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, op 10 cm uit de erfgrens geplaatst. Deze situering van de zijgevel leidt evenwel niet tot het oordeel dat burgemeester en wethouders voor deze uitbreiding in redelijkheid geen vrijstelling konden verlenen. Niet is gebleken dat appellant door de situering van de zijgevel onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

Dat de bouwplannen niet zouden voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit stelt, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Mede gelet hierop vermag de Afdeling niet in te zien dat de vrees van appellant voor instortingsgevaar en vocht- en lekkageproblemen als gevolg van de gekozen constructie en situering, reëel is. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de HE-B 160 breedflensbalk onnodig zwaar is waardoor een onveilige situatie is gecreëerd, heeft de vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders ter zitting aangegeven dat door de vergunninghouder de vereiste constructieberekeningen zijn overgelegd en dat deze voldoen aan de in de gemeentelijke bouwverordening gestelde eisen. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

2.9. De Afdeling kan appellant ten slotte niet volgen in zijn betoog dat burgemeester en wethouders het advies van de welstands- en monumentencommissie van 12 oktober 2000 niet ten grondslag hadden mogen leggen aan hun oordeel dat de bouwplannen in overeenstemming zijn met redelijke eisen van welstand. Vast staat dat genoemde commissie beide bouwplannen heeft behandeld in de vergadering van 12 oktober 2000 en deze positief heeft beoordeeld. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen bieden de stukken geen aanknopingspunten voor het oordeel dat burgemeester en wethouders daarvan niet mochten uitgaan bij hun beslissing op bezwaar. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat appellant geen deskundig tegenadvies heeft overgelegd.

2.10. Ook in hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. A.W.M. Bijloos , Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

58-369.