Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200203330/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203330/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2001 heeft de gemeenteraad van Hardenberg, op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 september 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Marslanden Wonen II".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 7 mei 2002, kenmerk RWB/2001/4347, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 augustus 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Nadere stukken zijn ontvangen van het gemeentebestuur van Hardenberg. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door drs. E. Munneke, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied ligt ten noordwesten van de kern Hardenberg. Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 500 woningen en een aantal voorzieningen. Met het plan wordt beoogd te voldoen aan de uit artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) voortvloeiende verplichting. De grond voor deze verplichting ligt in het besluit van verweerders van 2 februari 1999, kenmerk RWB/1999/323, waarbij goedkeuring is onthouden aan dit deel van het bestemmingsplan “Marslanden” wegens het ontbreken van een aan het provinciale volkshuisvestingsbeleid gerelateerde juridisch bindende flexibele fasering. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 september 2000, nummer E01.99.0118 het beroep tegen deze onthouding van goedkeuring ongegrond verklaard.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is vastgesteld om te voldoen aan de in artikel 30 van de WRO neergelegde verplichting een nieuw plan vast te stellen, indien aan een eerder vastgesteld bestemmingsplan goedkeuring is onthouden. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan in overeenstemming zijn met de beslissing waarbij goedkeuring aan het eerder vastgestelde plan is onthouden en niet anderszins in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het rechts anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd. Hij stelt dat wordt afgeweken van de structuurschets Marslanden. De kwetsbare omgeving zal onherstelbaar worden aangetast door de nieuwe wijk, zo meent hij. Voorts stelt hij dat woningbouw op deze plek ongewenst is, omdat kunstgrepen moeten worden toegepast om te kunnen voldoen aan de eisen van de Wet geluidhinder. Tevens meent hij dat ten onrechte geen milieueffectrapport is gemaakt waarbij hij wijst op woningbouwplannen in de toekomst in de nabijheid van dit plangebied.

2.4. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.5. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat het besluit van verweerders tot onthouding van goedkeuring van 2 februari 1999 in acht is genomen.

2.6. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (Stb. 1994, 540), zoals gewijzigd bij Besluit van 7 mei 1999, en bijlage onderdeel C onder 11.1 van dit Besluit, voor zover hier van belang, is het opstellen van een milieueffectrapport voor de bouw van woningen verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen bevat buiten de bebouwde kom of 4000 of meer woningen binnen de bebouwde kom. Deze verplichting is gekoppeld aan de vaststelling van het ruimtelijke plan dat als eerste in de mogelijke bouw voorziet.

Met dit plan is beoogd ongeveer 500 woningen te bouwen. In een latere fase kan dit oplopen tot 600. Gelet op het bovenstaande was met betrekking tot dit plan het opstellen van een milieueffectrapport niet vereist.

Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2000 nummer E01.99.0118 is vermeld zullen in totaal in Marslanden niet meer dan 1900 woningen verrijzen. Gelet op de toelichting van het bestreden plan zullen dit er minder worden. Derhalve bestond ook indien andere plannen als voorzienbare woningbouw in aanmerking moeten worden genomen geen plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport.

2.7. Niet bestreden is dat het bestemmingsplan op enkele punten afwijkt van de mede op het plangebied betrekking hebbende structuurschets Marslanden. De Afdeling overweegt dat geen wettelijke bepaling de gemeenteraad de vrijheid ontneemt om bij het vaststellen van een bestemmingsplan van een structuurschets af te wijken. Overigens deelt de Afdeling de opvatting van de gemeenteraad en verweerders, dat het plan overeenstemt met de hoofdlijnen van de structuurschets en slechts op ondergeschikte punten daarvan afwijkt.

2.8. De Afdeling overweegt ten aanzien van de overige onderdelen van het beroep het volgende.

De stelling van appellant dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening zou zijn omdat een aantal woningen niet anders dan met behulp van kunstgrepen binnen de normen van de Wet geluidhinder kan worden gebracht, deelt de Afdeling niet.

Niet bestreden is dat het plan voldoet aan de Wet geluidhinder. De middelen die daartoe zullen worden gebruikt zijn naar het oordeel van de Afdeling niet ontoelaatbaar. Mitsdien is de woningbouw ter plaatse niet vanwege de geluidhinder onaanvaardbaar.

De voorziene woningbouw was ook opgenomen in het bestemmingsplan “De Marslanden” van 1997, waaraan verweerders goedkeuring hadden onthouden wegens het ontbreken van een aan het provinciale volkshuisvestingsbeleid gerelateerde juridisch bindende flexibele fasering. De Afdeling heeft in haar bovenvermelde uitspraak op het beroep van appellant tegen het besluit omtrent de goedkeuring van dit bestemmingsplan ten aanzien van de locatie van de nieuwbouwwijk onder meer overwogen dat zij geen grond zag voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid het standpunt hebben kunnen innemen dat het plan niet tot een onevenredige aantasting van landschappelijke waarden zal leiden. Appellant heeft geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan de Afdeling nu tot een ander oordeel zou moeten komen.

2.9. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. de Rooy

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

59-411.