Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200102393/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102393/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2000 heeft de gemeenteraad van Rotterdam, op voorstel van burgemeester en wethouders van 1 september 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Laurenskwartier".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 10 april 2001, kenmerk DRGG/ARB/00/9192A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2001, en appellant sub 2 bij brief van 18 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.J. Molenwijk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is daar verschenen de raad van de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, ambtenaar van de gemeente. Appellanten zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied omvat een deel van het centrum van Rotterdam dat ligt op de Rechter Maasoever, tussen de oostelijke bebouwing van de Coolsingel en het Oostplein. Het plan voorziet in een actualisering van de bestemmingsplannen voor dit gebied.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellant sub 1 stelt in beroep dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de plandelen betreffende haar percelen aan de [locatie] en het omliggende gebied. Appellant meent dat de in het plan voor dit gebied opgenomen uitwerkingsregels alsmede de overige planvoorschriften onvoldoende concreet zijn. Voorts meent hij dat onvoldoende aandacht is besteed aan de waardedaling van zijn panden en onvoldoende zekerheid is gegeven over de financiële compensatie daarvoor. Tot slot stelt hij dat het plan niet duidelijk aangeeft of zijn gronden voor de verwezenlijking van het plan dienen te worden onteigend.

Het beroep van appellant sub 2 is eveneens gericht tegen de goedkeuring van plandelen betreffende gronden aan de [locatie], in het bijzonder het als sterlocatie 11 aangeduide plandeel. Hij vreest dat delen van de bestaande bebouwing in de toekomst zullen worden gesloopt. Hij stelt zich op het standpunt dat het plan in te veel en te dure nieuwbouw voorziet en voorts te weinig garanties biedt voor het behoud van de voor de wijk karakteristieke bebouwing. De toegestane bouwhoogte in de [locatie] tot maximaal 35 meter acht hij te hoog en niet in verhouding tot de breedte van deze straat. Bovendien vreest hij dat hierdoor zonlichtvermindering in de straat zal optreden. Tot slot stelt appellant dat in het plan aandacht ontbreekt voor voldoende rustpunten in het gebied.

2.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat met het plan wordt voorzien in een opwaardering van het gebied. Binnen het kader van de reeds aanwezige structuur zal het plangebied nader ingevuld worden. Het plan biedt hieromtrent volgens de gemeenteraad voldoende duidelijkheid.

2.4.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij stellen zich, met de gemeenteraad, op het standpunt dat in de planvoorschriften het kader waarbinnen het plan moet worden uitgewerkt, genoegzaam is aangegeven. Daarnaast voorziet het plan in procedureregels ten aanzien van de uitwerking van het plan. Ten aanzien van de onteigening stellen verweerders dat deze nog niet aan de orde is.

2.4.2. Appellant sub 1 exploiteert aan de [locatie sub 1] een winkel in audioapparatuur en klassieke geluidsdragers. Appellant sub 2 is woonachtig aan de [locatie sub 2]; zijn woning is aan de achterzijde gericht op de [locatie]. De [locatie] maakt deel uit van het binnenstedelijke gebied van Rotterdam. Vanwege zijn inrichting als wandelgebied en de aanwezigheid van winkels heeft de [locatie] een duidelijke centrumfunctie. In de gemeentelijke nota “Hoogbouwbeleid 2000-2010” is het Laurenskwartier getypeerd als overgangsgebied rondom de hoogbouwzone in het centrum van Rotterdam. Het gebied wordt daarmee beschouwd als een zone waarin de overgang tussen de hoogbouw naar de omliggende bestaande bebouwing wordt vorm gegeven. Deze typering van het gebied komt de Afdeling uit stedenbouwkundig oogpunt niet onjuist voor.

Volgens het deskundigenbericht verkeert de bebouwing aan de [locatie] gedeeltelijk in een slechte staat van onderhoud, is het verloop in het winkelbestand erg hoog en is als gevolg hiervan een zekere achteruitgang merkbaar. De Afdeling heeft geen reden aan te nemen dat deze vaststellingen onjuist zijn. Voorts is de Afdeling niet gebleken dat de bestaande bebouwing van een zodanige waarde is dat handhaving hiervan zonder meer gewenst moet worden geacht. Het streven van het gemeentebestuur om in verband met het voorgaande te komen tot een opwaardering van het gebied, waarbij overigens handhaving van de bestaande bebouwing in het algemeen het uitgangspunt vormt, komt de Afdeling daarom niet onredelijk voor. De bebouwde gronden in het gebied hebben hiertoe in het plan in hoofdzaak de bestemming “Centrumdoeleinden” met de aanduiding “sterlocatie” gekregen. De overige gronden zijn voorzien van de bestemming “Verblijfsgebied”. Door toekenning van deze bestemmingen staat vast dat de bestaande stedenbouwkundige structuur van het gebied in hoofdlijnen gehandhaafd zal blijven.

2.4.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de tot “Centrumdoeleinden” bestemde gronden bestemd voor wonen, kantoren, licht milieubelastende bedrijven, winkels, horeca, culturele en medische voorzieningen, recreatieve en maatschappelijke voorzieningen, onderwijsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, alsmede parkeer- en groenvoorzieningen. Blijkens de beschrijving in hoofdlijnen in het tweede lid van dit artikel geldt als doelstelling het gebied te transformeren in een centrumgebied door het te verdichten met woningen en – op de begane grond – publieksfuncties. Voor de sterlocaties geldt dat de bebouwing hier door een betekenisvolle uitstraling op de omgeving een bijdrage moet leveren aan het ontstaan van een nieuw hoogstedelijk gebied en tegelijkertijd de bestaande bebouwing in het gebied moet opwaarderen. Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst op hun relatie met de centraal in het gebied staande, monumentale Laurenskerk. Ingevolge het derde lid werken burgemeester en wethouders de met een ster aangegeven gedeelten uit overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge de uitwerkingsregels mag langs de Hoogstraat in het algemeen in verband met de aanwezigheid van de Laurenskerk worden gebouwd tot een hoogte van niet meer dan 25 meter. Slechts onder bepaalde omstandigheden is een hoogte van 35 meter toegestaan. Deze hoogten houden verband met de bestaande hoogte van het schip van de Laurenskerk dat ook hoogten van 25 en 35 meter kent. Het beeldbepalende karakter van de kerk blijft aldus gehandhaafd. Door bebouwing van deze hoogte, die past binnen het in de hiervoor genoemde nota “Hoogbouwbeleid 2000-2010” geschetste beleid, zal de bezonning ter plaatse verminderen. Een beperkte bezonning is echter in een centrumgebied niet zonder meer onaanvaardbaar.

In de uitwerkingsregels zijn verder onder meer voorschriften opgenomen inzake parkeren en het gebruik van de begane grond voor publieksfuncties. Weliswaar laat de doeleindenomschrijving van de bestemming “Centrumdoeleinden” allerlei verschillende functies toe, maar gelet op de vele aanwezige functies is dit voor een binnenstedelijk gebied als het plangebied niet ongebruikelijk. Gelezen de hiervoor omschreven regeling is naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan de in artikel 13, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 opgenomen eis dat een bestemmingsplan op zodanige wijze de doelstellingen voor een uit te werken plan aangeeft, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied. Ook overigens ziet de Afdeling voor het standpunt dat de planvoorschriften onvoldoende concreet zijn geen grond.

Gelet op de hiervoor weergegeven doeleindenomschrijving van de bestemming “Centrumdoeleinden” alsmede op de doeleindenomschrijving van de bestemming “Verblijfsgebied”, die onder meer groenvoorzieningen mogelijk maakt, voorziet het plan in ruime mate in de mogelijkheid van aanleg van de door appellant sub 2 bedoelde recreatieve rustpunten.

2.4.4. Ten aanzien van de door appellant sub 1 verlangde financiële compensatie voor de nadelige gevolgen van het plan voor de waarde van zijn percelen neemt de Afdeling in aanmerking dat geen grond bestaat voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. Overigens wijst de Afdeling erop dat, voorzover appellant ten gevolge van de bepalingen van het bestemmingsplan meent schade te lijden, artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, onder de daar genoemde omstandigheden, voorziet in een regeling ter vergoeding van schade.

Het bezwaar gericht tegen de vestiging van een voorkeursrecht door de gemeente en de bezwaren omtrent eventuele onteigening van het perceel van appellant kunnen in dit geding niet aan de orde komen.

2.4.5. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de bestreden onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerders het plan in zoverre terecht hebben goedgekeurd.

De beroepen zijn ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002.

176-416.