Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200201760/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime geringer is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

Vrijstelling (19.1 WRO) en bouwvergunning voor de bouw van kantoren met bedrijfsruimte. Het project is op enkele punten in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. GS hebben een verklaring van geen bezwaar verleend. Er is slechts sprake is van een geringe inbreuk op de bestaande planologische situatie. De op het perceel rustende bestemming laat reeds een bedrijventerrein toe. Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime geringer is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. De ruimtelijke onderbouwing waaraan B&W het project hebben getoetst, wordt gevormd door de projectbeschrijving "Bedrijvenpark Spoorhaven" van 31 juli 2000, het regionaal structuurplan Noordrand II en III van 14 oktober 1998 alsmede het geldende bestemmingsplan. Het project past in de projectbeschrijving, waarin de relatie van het project met het geldende bestemmingplan en de aanleiding om daarvan af te wijken wordt gegeven. Het daaraan ten grondslag liggende ruimtelijk beleid is niet wezenlijk gewijzigd. Het project past tevens in het regionaal structuurplan, waarin de onderhavige locatie als bedrijventerrein is aangeduid. In dit verband is nog van belang dat het betreffende bedrijventerrein een zogeheten B-locatie (ligging aan toekomstig hoogwaardig openbaar vervoer) betreft en vanwege deze gunstige ligging in een reële behoefte voorziet. Gezien de geringe inbreuk op het planologische regime, kan niet worden staande gehouden dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

Ongegrond hoger beroep.

Burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs.

mrs. J.A.M. van Angeren, E.A. Alkema, B.J. van Ettekoven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/68
Gst. 2003, 51 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2002/2624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201760/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Natuur- en Vogelwacht Rotta", gevestigd te Bleiswijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 15 maart 2002 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2001 heeft het Sectorhoofd Ruimte van de gemeente Berkel en Rodenrijs namens burgemeester en wethouders van deze gemeente (hierna: burgemeester en wethouders) aan de besloten vennootschap CRA Berkel Roderijs B.V. (hierna: CRA) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van kantoren met bedrijfsruimte op het perceel bedrijventerrein Spoorhaven, kadastraal bekend gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie B, nummer 2127 (gedeeltelijk).

Bij besluit van 20 november 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar met betrekking tot het onbevoegd verlenen van de vrijstelling gegrond en haar overige bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 11 oktober 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 juni 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.A. van Linden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is CRA, vertegenwoordigd door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijke of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.2. Het project betreft de bouw van een aantal kantoren met bedrijfsruimte.

2.3. Tussen partijen is niet in geschil en de Afdeling stelt dat ook vast, dat het project op enkele punten in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Spoorhaven”.

Ingevolge dit bestemmingsplan, dat op 30 maart 1995 is vastgesteld en op 18 juli 1995 is goedgekeurd, hebben de gronden waarop het project betrekking heeft deels de bestemming “Bedrijventerrein” en deels de bestemming “Uit te werken bedrijventerrein”.

Ingevolge artikel 6, zesde lid, van de planvoorschriften mag op gronden met de bestemming “Uit te werken bedrijventerrein” uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een goedgekeurd uitwerkingsplan en de in een zodanig plan gestelde eisen. Anders dan appellante betoogt, valt niet in te zien waarom niet met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend van een bouwverbod.

2.4. Bij besluit van 15 mei 2001 hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van dit project verleend. Het betoog van appellante dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de door gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar, en de daarop gebaseerde vrijstelling en bouwvergunning, zijn verleend in strijd met artikel 19a, achtste lid, van de WRO omdat deze is afgegeven nadat de daarvoor in die bepaling gestelde termijn was verstreken, faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat dit niet kan afdoen aan de bevoegdheid van gedeputeerde staten om na afloop van die termijn alsnog een verklaring van geen bezwaar af te geven. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaring voor andere bouwplannen dan het onderhavige is afgegeven.

2.5. Niet in geschil is en ook de Afdeling is van oordeel dat in dit geval slechts sprake is van een geringe inbreuk op de bestaande planologische situatie. Burgemeester en wethouders hebben er terecht op gewezen dat de op het perceel rustende bestemming reeds een bedrijventerrein toelaat.

2.6. Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime geringer is, behoeven minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

2.7. Blijkens de beslissing op bezwaar wordt de ruimtelijke onderbouwing waaraan burgemeester en wethouders het project hebben getoetst, gevormd door de projectbeschrijving “Bedrijvenpark Spoorhaven” van 31 juli 2000, het regionaal structuurplan Noordrand II en III van 14 oktober 1998 alsmede het geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Spoorhaven”. Het project past in de projectbeschrijving, waarin de relatie van het project met het geldende bestemmingplan en de aanleiding om daarvan af te wijken wordt gegeven. Het daaraan ten grondslag liggende ruimtelijk beleid is niet wezenlijk gewijzigd. Het project past tevens in het regionaal structuurplan, waarin de onderhavige locatie als bedrijventerrein is aangeduid. In dit verband is nog van belang dat burgemeester en wethouders onweersproken hebben gesteld dat het betreffende bedrijventerrein, anders dan het nabijgelegen bedrijventerrein “Oudeland”, een zogeheten B-locatie (ligging aan toekomstig hoogwaardig openbaar vervoer) betreft en vanwege deze gunstige ligging in een reële behoefte voorziet. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het project niet (economisch) uitvoerbaar is. Voorts is niet gebleken dat het project strijdig is met de door appellante in dit verband genoemde planologische regelingen op provinciaal en rijksniveau. Voor zover appellante heeft betoogd dat het project in de weg staat aan de realisering van de intermediaire verbindingszone, merkt de Afdeling op dat het geldende bestemmingsplan reeds voorziet in een bedrijventerrein op de onderhavige locatie en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat uitvoering van het project grotere afbreuk doet aan de mogelijkheid tot realisering van die zone.

Gezien de geringe inbreuk op het planologische regime, kan niet worden staande gehouden dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. De voorzieningenrechter is tot hetzelfde oordeel gekomen.

Nu is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19, eerste lid, van de WRO, moet worden geconcludeerd dat de gemeenteraad in beginsel gerechtigd is toepassing te geven aan de in dit artikellid neergelegde zelfstandige vrijstellingsprocedure.

2.8. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, bij besluit van 29 juni 2000 gedelegeerd aan burgemeester en wethouders voor locaties, die gelegen zijn in een door de raadscommissie geaccordeerd voorontwerp-bestemmingsplan, ontwerpbestemmingsplan, stedenbouwkundig plan of andersoortig ruimtelijk plan, mits het vrijstellingsverzoek daarmee in overeenstemming is. Het in delegatie genomen besluit dient voorts aan de commissie Ruimte te worden medegedeeld.

De Afdeling is niet gebleken dat niet is voldaan aan de in het delegatiebesluit gestelde voorwaarden. Niet kan staande worden gehouden dat de projectbeschrijving “Bedrijvenpark Spoorhaven” niet is aan te merken als een andersoortig ruimtelijk plan, als hiervoor bedoeld, en dat het vrijstellingsverzoek hiermee niet in overeenstemming is. Bovendien is de projectbeschrijving conform het delegatiebesluit op 22 augustus 2000 voorgelegd aan de commissie Ruimte en Algemene zaken.

Burgemeester en wethouders waren dan ook bevoegd te beslissen omtrent het verzoek om vrijstelling.

Daargelaten of de vrijstelling in mandaat kan worden verleend door het sectorhoofd Ruimte, heeft de voorzieningenrechter met recht overwogen dat, nu de beslissing op bezwaar door het bevoegde bestuursorgaan is genomen, met die beslissing het mogelijk aan het primaire besluit klevende bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn hersteld.

2.9. Met de voorzieningenrechter moet voorts worden geoordeeld dat burgemeester en wethouders wel rekening hebben gehouden met de gevolgen van het project op de bestaande parkeersituatie. Niet kan worden staande gehouden dat niet in voldoende mate in de parkeerbehoefte – ook die van de treinreizigers – wordt voorzien.

Geconcludeerd moet worden dat geen grond is voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen.

2.10. Ook in hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor het oordeel dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niet in stand kan blijven.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

53-378.