Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
200202685/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202685/1.

Datum uitspraak: 24 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Reeuwijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, kenmerk B&R/203, hebben verweerders appellante een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd in verband met het niet naleven van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit).

Bij besluit van 16 april 2002, kenmerk OIO/tC/01/18, verzenddatum onbekend, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij “R&B Milieu Advies B.V.”en [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door E.S. ten Cate, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.2. Appellante exploiteert een tankstation aan de Kosterdijk 17 te Waarder. Bij besluit van 7 februari 1978 is aan haar een vergunning krachtens de Hinderwet verleend. Met ingang van 1 maart 1994 valt de inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit.

2.3. Bij het bestreden besluit hebben verweerders appellante een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot naleving van de voorschriften 1.1, 1.5, 1.9, 2.1.1, 3.1, 4.1.2 en 5.4.3 van het Besluit. De opgelegde dwangsom bedraagt ƒ 10.000,00 (€ 4537,80) per dag dat appellante één of meerdere van deze voorschriften overtreedt, met een maximum van

ƒ 500.000,00 (€ 226.890,11). Tot zes weken na dagtekening van de verzending van de beslissing op bezwaar wordt geen dwangsom verbeurd.

2.4. Appellante voert aan dat verweerders haar niet van het voornemen tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom in kennis hebben gesteld, hetgeen volgens haar in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.1. Uit de stukken blijkt dat appellante bij brief van

15 februari 2000, kenmerk 5728-W99/PvdB, door verweerders van de niet-naleving van het Besluit op de hoogte is gebracht. Verder hebben verweerders middels deze brief kenbaar gemaakt dat de mogelijkheid bestaat bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen indien de overtreding van het Besluit voortduurt. Van strijd met de Algemene wet bestuursrecht is derhalve niet gebleken.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Door appellante wordt niet betwist dat zij niet voldoet aan de voornoemde voorschriften van het Besluit. Verweerders zijn op zichzelf dan ook gerechtigd tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen.

2.6. Appellante betoogt dat verweerders na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom. Zij brengt naar voren dat het voornemen bestaat de inrichting naar een andere locatie te verplaatsen en dat verweerders hebben toegezegd hun medewerking hiertoe te verlenen. Zij stelt dat het alsnog voldoen aan de voorschriften van het Besluit, een aanzienlijke investering vergt. Met het oog op de verplaatsing van de inrichting, acht zij het niet redelijk dat het doen van deze investering thans van haar wordt gevraagd. Zij vreest dat als de dwangsommen worden verbeurd en zij het huidige tankstation zal moeten sluiten, de opening van een nieuw tankstation in gevaar komt. Verder meent zij dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, aangezien de strijdigheid met het Besluit voorheen telkenmale door verweerders is gedoogd.

2.6.1. Verweerders menen dat zij de onderhavige last onder dwangsom in redelijkheid hebben kunnen opleggen. Zij overwegen dat appellante reeds vanaf 1992 wist dat zij aan de voorschriften van het Besluit moest voldoen en dat er geen concreet zicht bestaat op een spoedige opheffing van de met dit besluit strijdige situatie.

2.6.2. Per 1 juli 1999 dient appellante te voldoen aan het Besluit. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante reeds lange tijd voor deze datum wist dat een aantal maatregelen en voorzieningen op grond van het Besluit moest zijn getroffen. Zij is hier door verweerders meerdere malen op gewezen. Appellante heeft zelf – door niet tijdig deze vereiste maatregelen en voorzieningen te treffen – het risico genomen dat bestuurlijke handhavingsmaatregelen zouden worden getroffen. Van enig doen of nalaten van verweerders, waaraan appellante de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat van handhaving van de voorschriften van het Besluit zou worden afgezien, is niet gebleken, zodat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Voorts overweegt de Afdeling dat het tijdstip van de voorgenomen verplaatsing van de inrichting onzeker is.

Gelet op het vorenoverwogene ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving in dit geval dient te wijken voor het financiële belang van appellante. Verweerders hebben bij afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang van de bescherming van het milieu, in redelijkheid kunnen besluiten tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002

179-404.