Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2129

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200202669/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202669/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 1998 heeft de gemeenteraad van Aalten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 juni 1998, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1997-1 (windmolen Hoeninkdijk)".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van het college van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 5 januari 1999, nr. RE98.65593, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 31 augustus 2000, no. E01.99.0155, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 19 maart 2002, nr. RE2000.78053, hebben verweerders opnieuw beslist over de goedkeuring van het plan.

Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 juli 2002 hebben verweerders medegedeeld dat het beroepschrift hun geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van

[partijen]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem,

zijn verschenen. Voorts zijn verschenen [partijen] in persoon en bijgestaan door mr. J.J.A. Ceelen, advocaat te Deventer.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.2. Bij uitspraak van 31 augustus 2000, no. E01.99.0155, heeft de Afdeling geoordeeld dat het oprichten van een windturbine op het perceel [locatie] in het buitengebied van Aalten, inbreuk zal maken op de openheid en eigenheid van het landschap ter plaatse. Het oprichten van de in het plan voorziene windturbine is in strijd met de passages over het “landelijk gebied C” uit het Streekplan Gelderland 1996, dat op

25 september 1996 is vastgesteld door provinciale staten, zo heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen.

2.3. Verweerders hebben met in achtneming van de in overweging 2.2. genoemde uitspraak een nieuw besluit genomen over het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1997-1 (windmolen Hoeninkdijk)". Zij hebben aan het plan goedkeuring onthouden. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het plan in strijd is met de Derde partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996 met betrekking tot windenergie (hierna: de streekplanherziening), vastgesteld door provinciale staten op 20 juni 2001. Deze streekplanherziening staat een solitaire windturbine niet toe in gebieden op de kaart aangeduid als “windenergie toegestaan onder voorwaarden”, tenzij sprake is van een bedrijventerrein. Het plangebied ligt in een als zodanig aangeduid gebied en betreft geen bedrijventerrein. Met het plan wordt de bouw van een solitaire windturbine beoogd. Zij hebben verder overwogen geen aanleiding te zien om af te wijken van hun streekplanbeleid inzake solitaire windturbines. Voorts stellen verweerders zich op het standpunt dat de eerdere goedkeuring van het plan hier niet aan af doet.

2.4. Appellant stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben onthouden. Hij voert aan dat de streekplanherziening in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat in dit beleid geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor het onderscheid tussen solitaire windturbines op bedrijventerreinen en op overige gronden. Appellant is verder van mening dat verweerders in strijd met het vertrouwensbeginsel hebben gehandeld, nu zij alsnog goedkeuring hebben onthouden aan het plan. Voorts hebben verweerders in strijd gehandeld met het fair-playbeginsel omdat zij pas na de vaststelling van de streekplanherziening het bestreden besluit hebben genomen, aldus appellant.

2.5. In de streekplanherziening wordt op pagina 7 over windenergie vermeld dat het provinciaal ruimtelijk beleid is gericht op de realisatie van windturbineparken in de daarvoor geschikt geachte gebieden.

Deze kansrijke gebieden zijn op de kaart in groen aangegeven. In de kansrijke gebieden willen provinciale staten de realisatie van windturbineparken stimuleren. Solitaire windturbines zijn in de kansrijke gebieden uitgesloten met uitzondering van bedrijventerreinen.

Naast de kansrijke gebieden is er een categorie van gebieden die niet geschikt is voor de plaatsing van windturbineparken. Deze gebieden zijn op de kaart in rood aangegeven. Solitaire windturbines zijn in rode gebieden geheel uitgesloten.

Naast de groene en de rode gebieden is er een categorie van gebieden die slechts onder stringente voorwaarden voor plaatsing van windturbineparken in aanmerking komt. In deze gebieden vervullen provinciale staten geen actief stimulerende rol. Deze gebieden zijn op de kaart in wit aangegeven. Solitaire windturbines zijn in witte gebieden uitgesloten met uitzondering van bedrijventerreinen.

2.5.1. Het plangebied wordt op de kaart van de streekplanherziening in wit aangeduid als “windenergie toegestaan onder voorwaarden”.

In de streekplanherziening wordt op pagina 8 ten aanzien van deze als zodanig aangeduide gebieden vermeld dat rekening dient te worden gehouden met functies die zich alleen onder voorwaarden verdragen met windturbineparken. Plaatsing van windturbineparken is mogelijk mits aan de gestelde eisen en randvoorwaarden is voldaan. Ten aanzien van solitaire turbines geldt in witte gebieden hetzelfde als met betrekking tot de kansrijke gebieden, namelijk dat solitaire windturbines alleen zijn toegestaan op bedrijventerreinen.

Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat de streekplanherziening een solitaire windturbine niet toelaat op het perceel [locatie].

Zij deelt verder niet het standpunt van appellant dat de streekplanherziening in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het provinciaal ruimtelijk beleid is gericht op de realisatie van windturbineparken in de daarvoor geschikte gebieden, waarbij solitaire windturbines alleen zijn toegestaan op bedrijventerreinen die liggen in de groene en de witte gebieden. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 31 augustus 2000,

no. E01.99.0155 heeft geoordeeld dat het eerdere streekplan, het Streekplan Gelderland 1996, dat op 25 september 1996 door provinciale staten is vastgesteld evenmin een solitaire windturbine op het perceel [locatie] toeliet. Verweerders hebben dit oordeel terecht mede als uitgangspunt genomen bij het nemen van hun nieuwe beslissing omtrent goedkeuring. Reeds om deze reden faalt het betoog van appellant dat verweerders hadden moeten vasthouden aan hun vóór de uitspraak van

31 augustus 2000 ingenomen standpunt ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de desbetreffende windturbine. Voor zover appellant een beroep doet op het fair-playbeginsel overweegt de Afdeling dat verweerders in hun beoordeling het op dat moment geldende beleid moeten betrekken. Ten tijde van het eerdere besluit van verweerders van 5 januari 1999 is, blijkens de toelichting van de streekplanherziening, de provincie Gelderland gestart met een onderzoek naar de plaatsingsmogelijkheden van windturbines in Gelderland. Naar aanleiding van dit onderzoek en overleg hebben verweerders vervolgens een ontwerp partiële herziening van het Streekplan Gelderland 1996 met betrekking tot windenergie vastgesteld en in procedure gebracht. De omstandigheid dat verweerders hebben gewacht met het nemen van het thans bestreden besluit tot na het vaststellen van de streekplanherziening, die speciaal betrekking heeft op het ruimtelijke beleid inzake windenergie, acht de Afdeling in dit geval niet onjuist. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat verweerders in strijd met het fair-playbeginsel hebben gehandeld. Voor zover appellant van mening is dat verweerders een afwijkingsprocedure hadden moeten volgen, overweegt de Afdeling dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd verweerders geen grond hebben behoeven te zien om af te wijken van hun streekplanbeleid inzake solitaire windturbines nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden.

2.6. Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het plan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van

mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

12-427.