Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200200734/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200734/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Assen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2002, kenmerk Wm 5/2001, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een multifunctioneel sport- en recreatie- c.q. amusementscentrum op het perceel [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 18 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 23 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 26 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 maart 2002. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 25 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 augustus 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2002, waar appellant sub 1, in persoon, van appellanten sub 2 [appellant] in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Bus,

R. de Lange en M.W. Kelder, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door

[gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant sub 1 de beroepsgrond met betrekking tot het afsteken van vuurwerk ingetrokken.

2.2. Bij het bestreden besluit is een revisievergunning verleend voor een sport- en evenementencomplex met onder andere een zwemparadijs, ijsbaan en een evenementenhal. De vergunning is gedeeltelijk geweigerd voor een hotel, bijbehorend parkeerterrein, tennishal/beurscomplex en paviljoen. Voor de inrichting is op 4 juni 1993 een revisievergunning verleend op grond van de Hinderwet. Op 9 november 1998 is een aanvraag om een revisievergunning ingediend. Naar aanleiding van een in opdracht van de gemeente Assen opgesteld akoestisch rapport, heeft vergunninghoudster op 2 februari 2001 een nieuwe aanvraag ingediend. De vergunningaanvraag uit 1998 is ingetrokken.

2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 1 heeft de grond inzake geluid niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 1 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4. Appellanten sub 2 zijn van mening dat verweerders de aanvraag om milieuvergunning niet onpartijdig hebben beoordeeld. Verweerders hebben betoogd dat hoewel zij niet onwelwillend tegenover de plannen van vergunninghoudster staan, ook deze inrichting dient te voldoen aan de milieuhygiënische normen.

De Afdeling is niet gebleken dat bij de verlening (en gedeeltelijke weigering) door verweerders van de gevraagde milieuvergunning andere motieven een rol hebben gespeeld dan milieuhygiënisch relevante. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten zijn van mening dat de milieuvergunning niet verleend had mogen worden, aangezien tevoren geen milieu-effectrapport is gemaakt.

De Afdeling stelt vast dat de inrichting valt onder een recreatieve of toeristische voorziening als bedoeld in categorie 10.1 van de bijlagen C en D van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit). Het Besluit verbindt de mer-plicht respectievelijk de mer-beoordelingsplicht aan de vaststelling - voorzover hier van belang - van het ruimtelijk plan dat als eerste in de aanleg van de recreatieve voorziening voorziet, terwijl het bestreden besluit betrekking heeft op de verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Het opstellen van een milieu-effectrapport voordat een dergelijke vergunning wordt verleend is derhalve geen vereiste. Dit bezwaar treft geen doel.

2.6. Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat de publicatie op

16 januari 2002 van de ter inzage legging van het bestreden besluit in het huis-aan-huisblad “De Koerier” onjuist was, nu daarin slechts vermeld was dat een revisievergunning is verleend aan Sport- en Evenementencomplex B.V., waarbij het woord “DeSmelt” is weggevallen. De Afdeling stelt evenwel vast dat het hierbij gaat om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Een dergelijke onregelmatigheid kan niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van dat besluit aantasten. De beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.7. Appellanten sub 2 hebben in het beroepschrift een beschrijving gegeven van hetgeen is voorgevallen voordat het bestreden besluit werd genomen. Deze bezwaren zijn echter niet als zodanig gericht tegen het bestreden besluit van 14 januari 2002. Zij kunnen dan ook niet leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit.

2.8. Appellanten achten het, gelet op de aanvraag en het besluit, onvoldoende duidelijk wat precies vergund is.

De Afdeling overweegt hieromtrent dat verweerders in het dictum van het bestreden besluit onder b hebben bepaald welke onderdelen van de aanvraag niet bij het bestreden besluit behoren en onder c hebben bepaald voor welke onderdelen de vergunning geweigerd wordt. De Afdeling is van oordeel dat hiermee voldoende duidelijk is waarop het bestreden besluit betrekking heeft.

2.9. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.10. Appellant sub 1 meent –kort gezegd– dat de revisievergunning in verband met de vernietiging van de goedkeuring van het bestemmingsplan niet had kunnen worden verleend. Voorts stellen appellanten sub 2 dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.11. Appellanten zijn van mening dat de bezoekersaantallen te laag zijn ingeschat, zodat uit het akoestisch onderzoek niet duidelijk is of aan de geluidnormen wordt voldaan.

De Afdeling overweegt dat in de aanvraag om de milieuvergunning wordt uitgegaan van een bezoekersaantal van 450.000. Gelet op de gedeelten van de aanvraag die geweigerd zijn, acht de Afdeling het, mede gelet op het deskundigenbericht, niet onaannemelijk dat dit het maximale aantal bezoekers is dat de inrichting in de thans vergunde omvang per jaar zal aantrekken. Bij de berekeningen van de geluidniveaus vanwege de inrichting is uitgegaan van bovengenoemd aantal bezoekers en volgens het akoestisch onderzoek van Stroop raadgevende ingenieurs van 26 januari 2001, kenmerk 972115, kan daarmee aan de gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitkomsten van dit akoestisch onderzoek onjuist zouden zijn. In hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

2.12. Appellant sub 1 heeft in het beroepschrift met betrekking tot de bezwaren omtrent het opslaan van ammoniak, zwavelzuur en chloor binnen de inrichting volstaan met een herhaling van de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. Het beroepschrift van appellanten sub 2 is voor het overige een bijna letterlijke herhaling van de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging onjuist zou zijn. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.13. Het beroep van appellant sub 1 is, voorzover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van appellanten sub 2 is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk voorzover dit de grond inzake geluid betreft;

II. verklaart het beroep van appellant sub 1 voor het overige ongegrond;

III. verklaart het beroep van appellanten sub 2 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

159-324.