Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2108

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200101377/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/4471
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200101377/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 januari 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Schiedam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 1997 hebben burgemeester en wethouders van Schiedam (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellante bouwvergunning verleend voor de bouw van 67 woningen met parkeervoorziening en bedrijfs-/winkelruimte aan de [locatie].

Bij besluit van 6 november 1998 hebben burgemeester en wethouders appellante aangeschreven alle bouwwerkzaamheden aan blok B te staken en gestaakt te houden, en appellante daarbij medegedeeld dat indien aan deze lastgeving geen gevolg wordt gegeven, appellante een dwangsom verbeurt van ƒ 20.000,00 per dag, met een maximum van ƒ 200.000,00.

Bij besluit van 28 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van de Bezwaar- en beroepschriftencommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 januari 2001, verzonden op 8 februari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep (voor zover hier van belang) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 20 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 december 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2002, waar appellante en burgemeester en wethouders, met bericht van verhindering, niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww) is het verboden te bouwen in afwijking van een bouwvergunning.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de uitvoering van het bouwplan, blijkens de beslissing op bezwaar en de daaraan ten grondslag liggende rapportage van het gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht van 15 oktober 1998, alsmede de TNO-rapportage van november 1998, in afwijking van de bouwvergunning heeft plaatsgevonden. Het betrof afwijkingen van de bij de bouwvergunning behorende constructie- en detailtekeningen en de daarin besloten liggende eisen die het Bouwbesluit stelt ten aanzien van de constructieve veiligheid, duurzaamheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. Appellante heeft met de door haar overlegde rapportage niet aannemelijk gemaakt dat overeenkomstig de bouwvergunning is gebouwd.

2.3. Nu appellante in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Ww heeft gebouwd, waren burgemeester en wethouders bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie.

2.5. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de ernst en omvang van de tijdens de inspectie geconstateerde gebreken en het stadium waarin de bouw zich bevond, het opleggen van een bouwstop, teneinde eerst een integraal herstelplan te verkrijgen, niet onevenredig of onredelijk was.

2.6. De Afdeling kan appellante niet volgen in haar betoog dat zij na de aanschrijving door burgemeester en wethouders bij brief van 27 oktober 1998 adequaat heeft gehandeld en een constructieve houding heeft aangenomen. Appellante heeft immers niet binnen de daarvoor gegeven termijn van een week gereageerd op het voorstel van burgemeester en wethouders een onderzoek te laten uitvoeren door een door hen aanvaard deskundig onderzoeksbureau en een herstelplan op te stellen en evenmin op het advies om de bouwwerkzaamheden in afwachting daarvan te staken, teneinde dwingende maatregelen te voorkomen. In plaats daarvan zijn de bouwwerkzaamheden doorgegaan en heeft appellante een eigen onderzoek ingesteld en de resultaten daarvan eerst na afloop van de in de brief van 27 oktober 1998 gestelde termijn overhandigd.

2.7. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het namens appellante opgestelde onderzoeksrapport van Bouwadvies Gouda van 1 november 1998, met als conclusie dat er geen noodzaak zou zijn tot stillegging van de bouwuitvoering, alsmede het daaraan ten grondslag liggende rapport van CVK Kalkzandsteen van 22 oktober 1998 en de brief van de Arbeidsinspectie van 28 oktober 1998, burgemeester en wethouders bij het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar niet tot een ander oordeel hebben behoeven te leiden. Ook de rapporten van Bouwadvies Gouda en CVK Kalkzandsteen sommen een groot aantal gebreken op. De brief van de Arbeidsinspectie heeft enkel betrekking op de arbeidsomstandigheden.

Voorts heeft de rechtbank ter zake van de beoordeling van deze rapporten terecht overwogen dat, voor zover burgemeester en wethouders al verwijtbaar met de door appellante op 5 november 1998 overgelegde rapportage bij hun besluit van 6 november 1998 geen rekening hebben gehouden, dit gebrek bij het nemen van de beslissing op bezwaar is hersteld.

2.8. Ook overigens is de Afdeling niet van bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan burgemeester en wethouders bij de bestreden beslissing op bezwaar niet tot handhaving van hun dwangsombesluit hebben kunnen beslissen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

47-429.