Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AF2104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
18-12-2002
Zaaknummer
200202999/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202999/1.

Datum uitspraak: 18 december 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 12 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Recreatieschap Vinkeveense Plassen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2000 heeft het dagelijks bestuur van het Recreatieschap Vinkeveense Plassen (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd appellant ontheffing te verlenen van het verbod van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) in verband met het vervangen van een stacaravan op het terrein Eilinzon, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 november 2000 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 12 april 2002, verzonden op 24 april 2002, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2002 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M. Hofman, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door A. de Vink-Bregman, werkzaam bij het recreatieschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wor is het verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen waarvoor een vergunning, vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8, eerste onderscheidenlijk tweede lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 13 is verleend, behoudens voor zover bij verordening door de gemeenteraad afwijking van dit verbod is toegestaan voor het plaatsen of geplaatst houden van ten hoogste vijf kampeermiddelen gedurende korte perioden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel - voor zover hier van belang - kan in afwijking van het eerste lid bij verordening het plaatsen van één kampeermiddel voor eigen gebruik door de eigenaar van een terrein voor langere perioden dan bedoeld in het eerste lid, worden toegestaan.

2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening op de openluchtrecreatie, vastgesteld door de raad van de gemeente De Ronde Venen op 27 oktober 1998 (hierna: de verordening), kunnen burgemeester en wethouders, ten behoeve van gebruik voor recreatief nachtverblijf door de eigenaar van een perceel, aan deze eigenaar ontheffing verlenen van het verbod in artikel 15, eerste lid, van de Wor, voor het plaatsen van één kampeermiddel voor een periode van maximaal één jaar. Ingevolge artikel 3 van de verordening kunnen door het bevoegd gezag aan een ontheffing als hiervoor bedoeld nadere voorschriften worden verbonden met betrekking tot de maatvoering van de betrokken kampeermiddelen, aan- en bijgebouwen, openbare orde, veiligheid en hygiëne.

De in artikel 2, eerste lid, van de verordening bedoelde bevoegdheid is onder toepassing van artikel 4 van de verordening overgedragen aan het dagelijks bestuur.

2.3. Ter uitvoering van artikel 3 van de verordening zijn op 14 april 1994 vastgesteld de Bouwregels caravanpark Eilinzon. Deze bouwregels dienen te worden aangemerkt als beleidsregels die bij het verlenen van ontheffingen in acht moeten worden genomen. Daarin is onder meer bepaald dat bij percelen met een oppervlakte groter dan 200 m2, zoals in dit geval, de maximale vloeroppervlakte van een caravan 35 m2 mag bedragen. De aanvraag van appellant is wegens strijd met deze beleidsregel afgewezen, omdat appellant zijn caravan, die een oppervlakte van 64 m2 heeft, wil vervangen door een caravan met een vloeroppervlakte van 70 m2.

2.4. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat de bouwregels onverbindend zijn, omdat daarvoor geen wettelijke basis aanwezig is.

De Afdeling is van oordeel dat de Wor zich er niet tegen verzet dat aan een ontheffing voorschriften inzake de maatvoering van een kampeermiddel worden verbonden. Voor de beperkte uitleg die appellant voorstaat wordt in de tekst noch in de parlementaire geschiedenis van de Wor steun gevonden.

Voorts ziet de Afdeling niet in dat de als "bouwregels" aangeduide beleidsregels ten aanzien van de maatvoering van caravans waarvoor ontheffing kan worden verleend niet zouden mogen worden toegepast wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, nu deze regels strekken tot regulering in het kader van de Wor van de plaatsing van kampeermiddelen op het caravanpark Eilinzon en geen belemmering vormen voor een reële verwezenlijking van de aan het onderhavige perceel gegeven bestemming “caravanterrein”. Het in dit kader aangevoerde betoog faalt derhalve.

2.5. De Afdeling is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het terzake gevoerde beleid niet onredelijk is. Het standpunt van appellant, dat een stacaravan met een maximale oppervlakte van 35 m2 niet zou voldoen aan de eisen van deze tijd, deelt de Afdeling niet nu, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, de ruimte voor recreatief gebruik bestemd is.

2.6. Appellant heeft tenslotte betoogd dat de bouwregels hem bij gebrek aan wetenschap niet kunnen worden tegengeworpen. Daartoe heeft hij in hoofdzaak aangevoerd dat de bouwregels niet dan wel niet deugdelijk aan de vorige eigenaar/gebruiker van de caravan zijn bekend gemaakt, zodat appellant bij de koop van de caravan niet van de geldende regels op de hoogte kon worden gesteld.

Wat er ook van de gebrekkige bekendmaking aan de vorige eigenaar/gebruiker zij, de Afdeling is van oordeel dat het op de weg van appellant had gelegen om, alvorens tot aankoop van de caravan en het bijbehorende perceel over te gaan, zich zelf van de geldende regels met betrekking tot het vervangen van caravans op de hoogte te stellen. Dat appellant bij de gemeente ter zake navraag heeft gedaan en dat hem zou zijn meegedeeld dat er naast het bestemmingsplan met betrekking tot caravans geen andere voorschriften golden heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt derhalve.

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat niet met succes staande kan worden gehouden dat het dagelijks bestuur bij afweging van de betrokken belangen de weigering van de gevraagde ontheffing niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002

45-393.